wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Leesvaardigheid

Total questions: 21

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.
Wat moet je als eerst doen als je een tekst leest?
a)
Naar plaatjes, bron, titel, inleiding en slot kijken. 
b)
De tekst lezen.
c)
Naar plaatjes, bron en titel kijken.
d)
Naar de vragen kijken. 
2.
Welke drie schrijfdoelen zijn er het belangrijkst? 
a)
opiniëren, beschouwen en informeren
b)
informeren, beschouwen en overtuigen
c)
overtuigen, amuseren, opiniëren
d)
informeren, overtuigen, beschouwen
3.
Aan welke vijf kenmerken herken je het publiek van een tekst? 
a)
inhoud, taalgebruik, bron, lay-out, afbeeldingen 
b)
onderwerp, inhoud, toon, taalgebruik, bron 
c)
toon, bron, lengte, onderwerp, prijs
d)
lay-out, prijs, toon, uiterlijk, spelling 
4.
De Donald Duck is alleen voor kinderen bedoeld. 
a)
juist
b)
onjuist
5.
De Elsevier is een tijdschrift voor jongeren. 
a)
juist
b)
onjuist
6.
Wat is een kernzin? 
a)
De belangrijkste zin die in een alinea staat. 
b)
De belangrijkste zin die in een tekst staat. 
c)
Een zin waarmee je als lezer de hele tekst samenvat. 
d)
Een zin waarmee je als lezer de alinea samenvat. 
7.
Waar vind je de hoofdgedachte van een tekst? 
a)
Niet, die moet je zelf bedenken. 
b)
In de inleiding en in het slot. 
c)
Altijd in de laatste alinea. 
d)
Altijd in de eerste alinea. 
8.
Welk schrijfdoel heeft de tekst op het plaatje? 
a)
amuseren 
b)
overtuigen 
c)
opiniëren 
d)
activeren 
9.
Welk schrijfdoel heeft de tekst op het plaatje? 
a)
overtuigen 
b)
informeren 
c)
opiniëren 
d)
activeren 
10.

Wat voor tekst zie je op het plaatje?  Antwoord: uiteenzetting

a)

betoog 

b)

uiteenzetting 

c)

proza 

d)

advertentie 

11.
Een inleiding heeft twee functies. Welke horen daar niet bij? 
a)
aandacht trekken 
b)
onderwerp introduceren 
c)
samenvatting geven 
12.
Wat is een 'structurerende zin'? 
a)
en zin die twee alinea's aan elkaar verbindt. 
b)
Een zin die de inleiding en het middenstuk verbindt. 
c)
Een zin die de structuur van de tekst aangeeft. 
d)
Een zin die een alinea structureert. 
13.
Een slot heeft meerdere mogelijke functies. Welke behoort daar niet toe? 
a)
samenvatten 
b)
concluderen 
c)
terugblikken 
d)
vooruitblikken 
14.
Wat is geen bestaande tekststructuur? 
a)
Vraag/antwoord 
b)
Probleem/oplossing 
c)
Stelling/conclusie 
d)
Voor-/nadelen 
15.
Welke signaalwoorden horen bij een 'redengevend verband'? 
a)
namelijk, want
b)
al met al, doordat
c)
want, al met al
d)
doordat, wegens
16.
Welke signaalwoorden horen bij een 'oorzakelijk verband'? 
a)
omdat, dus
b)
wegens, als gevolg van
c)
als gevolg van, ook
d)
dus, wegens
17.
Bij welk verband horen deze signaalwoorden: 'opdat, doordat, zodat, om te...'? 
a)
redengevend
b)
voorwaardelijk
c)
doel-middel
d)
toegevend
18.
Bij welk verband horen deze signaalwoorden:  'weliswaar, hoewel, ofschoon, ook al'? 
a)
redengevend
b)
voorwaardelijk
c)
toegevend
d)
toelichtend
19.
Bij welk verband horen deze signaalwoorden:  'zo, zoals, bijvoorbeeld, neem nou...'? 
a)
redengevend
b)
voorwaardelijk
c)
doel-middel
d)
toelichtend
20.
Bij welk verband horen deze signaalwoorden:   'maar, echter, desalniettemin, nochtans'? 
a)
toegevend
b)
voorwaardelijk
c)
tegenstellend
d)
toelichtend
21.
Bij welk verband horen deze signaalwoorden:   'eerst, daarna, toen, later'? 
a)
toegevend
b)
opsommend
c)
tegenstellend
d)
chronologisch