wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Transport bloed(vaten)

Total questions: 37

Worksheet time: 1hrs 7mins

Name
Class
Date
1.

In het lichaam van de mens komen haarvaten voor in onder andere:


1 de wand van de linker kamer van het hart,

2 de wand van de rechter kamer van het hart,

3 de tussenribspieren,

4 de tong.

a)

Alleen de haarvaten in 3

b)

Alleen de haarvaten in 2 en 4

c)

Alleen de haarvaten in 1,2 en 4

d)

De haarvaten in 1,2,3 en 4

2.

Iemand schrikt hevig. Hierdoor neemt de hoeveelheid adrenaline in het bloed van deze persoon toe. Vier bloedvaten in het lichaam van de mens zijn: bijnierader, bijnierslagader, leverader en leverslagader.


In welk van deze bloedvaten zal als gevolg hiervan de glucoseconcentratie in het bloed het eerst toenemen?

a)

in een bijnierader

b)

in een bijnierslagader

c)

in de leverader

d)

in de leverslagader

3.

Op welke van de plaatsen: 1,2 en 3 komt de hoogste bloeddruk voor?

a)

Op plaats 1

b)

Op plaats 2

c)

Op plaats 3

4.

In het diagram is voor één hartslag het verband weergegeven tussen de tijd en het volume van de linker kamer van het hart van de mens. In dit diagram worden drie fasen met letters aangegeven.


Gedurende welke van de fasen P, Q en R zijn de kleppen tussen de linker kamer en de aorta open?

a)

Alleen gedurende fase Q

b)

Alleen gedurende fase R

c)

Gedurende fase P en Q

d)

Gedurende fase P en R

5.

Wanneer glucose wordt verbrandt in het spijsverteringskanaal. Passeert de CO2 (afvalproduct) het hart onderweg naar de longen? Zo ja, hoeveel keer minimaal?

a)

Nee

b)

Ja, één maal

c)

Ja, twee maal

6.

Een man loopt op loopband.

Enkele organen van de man zijn (gelukkig): De kuitspieren, de dunne darm, het hart en de nieren.

Door welk of welke van deze organen stroomt tijdens het hardlopen per minuut de grootste hoeveelheid bloed?

a)

Door de beide kuitspieren samen

b)

Door de dunne darm

c)

Door het hart

d)

Door de beide nieren samen

7.

In de weefsels verlaten water en opgeloste stoffen het bloed dat in de haarvaten aanwezig is. Vanuit de weefsels keert ook weer vocht terug in het bloed.


Via welke weg kan vocht vanuit de weefsels terugkeren in het bloed?

a)

Alleen door de wanden van de haarvaten heen

b)

Alleen via vervoer door lymfevaten

c)

Zowel door de wanden van de haarvaten heen als via vervoer door lymfevaten

8.

Het bloed dat een bepaald hersengebied verlaat, is zuurstofarm.


In welk van de volgende bloedvaten is dit bloed voor het eerst weer zuurstofrijk?

a)

in de halsader

b)

in de halsslagader

c)

in de longader

d)

In een longslagader

9.

. Tijdens de systole trekken de kamers zich samen en tijdens de diastole ontspannen ze zich. Er zijn verschillende kleppen met letters aangegeven.


Welke kleppen zijn tijdens de diastole (hartrust) gesloten?

a)

De kleppen P en Q

b)

De kleppen P en S

c)

De kleppen Q en R

d)

De kleppen R en S

10.

Als er een afwijking is bij de klep van de aorta waardoor de klep onvoldoende sluit. Stroomt de linkerkamer van het hart te vol.

Wat is de oorzaak van het te vol raken van de linker kamer?

a)

Er stroomt bloed uit de aorta terug in de linker kamer

b)

Er stroomt te weinig bloed uit de linker kamer naar de aorta

c)

Er stroomt teveel bloed vanuit de linker boezem in de linker kamer

11.

Buiten het hart komen kleppen voor. Bloedvaten die in het lichaam zijn: de onderste holle ader, haarvaten van de hartspier, een kransslagader, een beenader.


In welke van deze bloedvaten bevinden zich kleppen?

a)

de onderste holle ader

b)

haarvaten van de hartspier

c)

een kransslagader

d)

een beenader

12.

De samenstelling van bloedplasma en die van weefselvloeistof worden met elkaar vergeleken. Drie stoffen die in beide voorkomen, zijn: opgeloste eiwitten, keukenzout en zuurstof.

Van welke van deze stoffen is het verschil in concentratie tussen bloedplasma en weefselvloeistof het grootst?

a)

van keukenzout

b)

van opgeloste eiwitten

c)

van zuurstof

13.

Om uit te zoeken of iemand drager is van een bepaald gendefect, kan aan de hand van een bloedmonster DNA uit de chromosomen onderzocht worden.

Welk bestanddeel van het bloed kan gebruikt worden voor het opsporen van een eventueel gendefect aan de hand van DNA uit de chromosomen?

a)

Bloedplaatjes

b)

Bloedplasma

c)

rode bloedcellen

d)

witte bloedcellen

14.

Welk voordeel heeft de vorm voor het functioneren van de rode bloedcellen?

a)

Hierdoor stroomt de bloedcel gemakkelijker mee

b)

Hierdoor is de kans kleiner dat er bloedpropjes ontstaan

c)

Hierdoor is het oppervlak groter en is er meer diffusie mogelijk

d)

De vorm heeft geen voordeel.

15.

Welk onderdeel van bloed moet 1 zijn?

a)

Water

b)

Opgeloste stoffen

c)

Plasma-eiwitten

d)

Bloedplasma

16.

De wisselwerking tussen de aanmaak van rode bloedcellen en de productie van epo is een voorbeeld van:

a)

Negatieve terugkoppeling

b)

Positieve terugkoppeling

17.

Epo kan gebruikt worden als doping. Vooral bij duursport. Wat is het voordeel van het gebruik van epo voor duursporters?

a)

De rode bloedcellen kunnen beter zuurstof opnemen en dit verbetert het uithoudingsvermogen

b)

De rode bloedcellen zijn in staat meer zuurstof te verplaatsen doordat het hemoglobine eiwit meer wordt geproduceerd. Dit verbetert het uithoudingsvermogen

c)

Het uithoudingsvermogen neemt toe omdat de longblaasjes in staat zijn om meer zuurstof op te nemen uit de lucht.

d)

Er worden meer rode bloedcellen geproduceerd. Door het toegenomen aantal rode bloedcellen is het zuurstoftransport beter waardoor het uithoudingsvermogen hoger is.

18.

Op welke manieren wordt bloedverlies tegengegaan en wordt de wond zo snel mogelijk gedicht?

a)

Spieren in de wand van het bloedvat trekken zich samen. Hierdoor stroomt er minder bloed richting de wond.

b)

Bloedplaatjes blijven vastkleven. Er ontstaat een propje van bloedplaatjes op de plaats van de wond.

c)

Het hart begint langzamer te kloppen waardoor minder bloed bij de wond komt.

d)

Bloedplaatjes laten stoffen vrijkomen. Hierdoor ontstaan bloedstolsels

19.

Bloed kun je zien als: ......weefsel

a)

Spierweefsel

b)

Bindweefsel

c)

Epitheel weefsel

20.

Welke stoffen worden door het bloed getransporteerd en gedistribueerd?

a)

Zuurstof

b)

Voedingsstoffen

c)

Afvalproducten

d)

Hormonen

21.

Bloed bestaat voor 55% uit bloedplasma. Bloedplasma bestaat voor 90% uit water. Welke stoffen zijn de overige 10%?

a)

Bloedplaatjes

b)

Afvalproducten

c)

Hormonen

d)

Zouten

e)

Gassen

22.

Een atleet uit Nederland traint enkele maanden in het hooggebergte. Hierna blijkt hij in Nederland tot een grotere prestatie te komen.


Welke verandering in het bloed zal mede tot deze grotere prestatie geleid hebben?

a)

een groter aantal witte bloedcellen

b)

een groter aantal rode bloedcellen

c)

een groter aantal bloedplaatjes

d)

een grotere hoeveelheid bloedplasma

23.

Bij iemand komt een afwijking van de bloedplaatjes voor, waardoor deze hun inhoud niet kunnen afgegeven.


Wat kan daarvan het gevolg zijn?

a)

het bloed stolt te snel

b)

het bloed kan niet stollen

c)

het bloed kan geen zuurstof vervoeren

d)

het bloed kan een virus niet meer aanvallen

24.

Het bloed stroomt van een kuitspier via de longen weer terug naar dezelfde kuitspier. Het bloed gaat daarbij minstens tweemaal door het hart. De weg die het bloed hierbij door het hart aflegt is achtereenvolgens:

a)

linkerkamer - linkerboezem - rechterkamer - rechterboezem

b)

linkerboezem - linkerkamer - rechterboezem - rechterkamer

c)

rechterkamer - rechterboezem - linkerkamer - linkerboezem

d)

rechterboezem - rechterkamer - linkerboezem - linkerkamer

25.

De afbeelding geeft de doorsnede van een bloedvat uit het been van een mens weer.


Is dit een beenader of beenslagader?

Vervoert dit bloedvat zuurstofarm of zuurstofrijk bloed?

a)

beenader / zuurstofarm

b)

beenslagader / zuurstofarm

c)

beenader / zuurstofrijk

d)

beenslagader / zuurstofrijk

26.

Over het hart van de mens worden twee beweringen gedaan:


1) In de wand van het hart vindt dissimilatie van glucose plaats

2) In de rechterkamer van het hart is de glucoseconcentratie in het bloed lager dan die in de linkerkamer


Welke bewering(en) is of zijn juist?

a)

Alleen bewering 1

b)

Alleen bewering 2

c)

Bewering 1 en 2

d)

Beide zijn onjuist

27.

Bekijk onderstaande stellingen:


1) Alle slagaders vervoeren zuurstofrijk bloed

2) De poortader vervoert zuurstofrijk bloed naar de darmen


Welke is/zijn juist of onjuist?

a)

Beide juist

b)

Alleen 1 is juist

c)

Alleen 2 is juist

d)

Beide onjuist

28.

Een kransslagader van de mens is een aftakking van

a)

de aorta

b)

de armslagader

c)

de halsslagader

d)

de longslagader

29.

Bij de mens worden het begin van de longslagader en het begin van de aorta vergeleken met betrekking tot de volgende grootheden:


1) de bloeddruk

2) het aantal rode bloedcellen per mL bloed

3) het koolstofdioxidegehalte van het bloed

4) de hoeveelheid bloed die per minuut door het desbetreffende bloedvat stroomt


Welke van deze grootheden hebben vrijwel dezelfde waarde in het begin van de longslagader en in het begin van de aorta?

a)

1 en 3

b)

1 en 4

c)

2 en 3

d)

2 en 4

30.

Een via de leverader afgevoerd molecuul koolstofdioxide wordt bij de mens door een long uitgescheiden.


Door welke bloedvaten gaat dit molecuul in ieder geval?

a)

door een holle ader en een longslagader

b)

door een holle ader en een longader

c)

door een longslagader en de aorta

d)

door een longslagader en een longader

31.

Op welke plaatsen in de afbeelding kan bloed met vrijwel dezelfde samenstelling worden aangetroffen?

a)

op de plaatsen 1, 2 en 3

b)

op de plaatsen 4, 5 en 6

c)

op de plaatsen 7, 8 en 9

d)

op de plaatsen 3, 6 en 9

32.

Bij zoogdieren is de wand van de linkerkamer dikker dan die van de rechterkamer. Dit staat in verband met het feit dat de linkerkamer:

a)

kleiner is dan de rechter hartkamer en daardoor sneller moet kunnen pompen

b)

slechts zuurstofarm bloed ontvangt en dit bloed snel moet kunnen afvoeren

c)

het bloed door het sterkt vertakte haarvatennet van de longen moet pompen

d)

het bloed door het hele lichaam, behalve de longen, moet pompen

33.

Welk van het onderstaande antwoorden gebruikt vooral adhesie voor het transporteren van water door de plant?

a)

De worteldruk

b)

Verdamping

c)

De capillaire werking

d)

Worteldruk, verdamping en capillaire werking

34.

Wat zijn de correcte benamingen voor de vier onderdelen?

a)

1 bastvaten 2 houtvaten 3 tussenruimte 4 huidmondje

b)

1 bastvaten 2 houtvaten 3 huidmondje 4 luchtholten

c)

1 houtvaten 2 bastvaten 3 luchtholten 4 tussenruimten

d)

1 houtvaten 2 bastvaten 3 luchtholten 4 huidmondje

35.

Welk proces(sen) voor het transporteren van water in de plant is/zijn passief?

a)

Verdamping

b)

Capillaire werking

c)

Worteldruk

36.

Bij een hoge CO2 concentratie in de lucht kan de plant gemakkelijker CO2 opnemen en heeft de plant minder huidmondjes nodig. Welke lijn geeft dit in de grafiek juist weer?

a)

Lijn P

b)

Lijn Q

c)

Lijn R

d)

Lijn S

37.

Bij welk cijfer wordt het weefselvloeistof lymfevocht genoemd?

a)

Cijfer 4

b)

Cijfer 5

c)

Cijfer 6

d)

Cijfer 8