Font size
WorksheetsK2 Taalverzorging H3
Total questions: 42
Worksheet time: 55mins
Dt is de quizizz-toets K2 Taalverzorging H3.
De eerste 16 vragen gaan over grammatica, namelijk zinsontleding: persoonsvorm, onderwerp gezegde en lijdend voorwerp
Ben je er klaar voor?
Ja, kom maar op met die vragen.
Ja, maar ik zat liever op Hawaii.
Ja, maar ik heb er geen zin in.
Ja, want ik vind toetsen superleuk! Not.
Vul de zin met de juiste woorden aan:
Het antwoord op de vraag 'Wat/wie + [..1..] + [..2..] is het lijdend voorwerp.
1. persoonsvorm (pv)
2. gezegde (gez)
1. persoonsvorm (pv)
2. onderwerp (ow)
1. gezegde (gez)
2. onderwerp (ow)
In welke zinnen staat een lijdend voorwerp?
(Vink alleen de zin(nen) met een lijdend voorwerp aan)
Wouter heeft zijn trainingsjasje laten hangen in de kleedkamer
Tijdens de storm verdwaalden we in het bos.
Gerard heeft een abonnement op de Donald Duck genomen.
Een sukkel heeft gisteren het achterlicht van mijn fiets getrapt.
Met Kerstmis gaan we met de hele familie bowlen in Sneek.
Wat is in de onderstaande zin het lijdend voorwerp?
Mike heeft gisteren een broodje gezond gekocht in de kantine.
(Let op: maak geen spelfouten, anders is je antwoord fout)
(a)
Wat is in de onderstaande zin het lijdend voorwerp?
Gooi jij je vuile kleren straks in de wasmand?
(Let op: maak geen spelfouten, anders is je antwoord fout)
(a)
Wat is in de onderstaande zin het lijdend voorwerp?
Wanneer gaat de gemeente in het park een nieuw zwembad bouwen?
(Let op: maak geen spelfouten, anders is je antwoord fout)
(a)
Wat is in de onderstaande zin het lijdend voorwerp?
Gisteren vond Lieneke een tientje op het schoolplein.
(Let op: maak geen spelfouten, anders is je antwoord fout)
(a)
Benoem uit de zin het onderstreepte zinsdeel:
Op de manege kocht Reina een nieuw zadel.
persoonsvorm (pv)
onderwerp (ow)
gezegde (gez)
lijdend voorwerp (lv)
Benoem uit de zin het onderstreepte zinsdeel:
Halil heeft zijn oma een bosje rozen gegeven.
persoonsvorm (pv)
onderwerp (ow)
gezegde (gez)
lijdend voorwerp (lv)
Benoem uit de zin het onderstreepte zinsdeel:
Heb jij alle bestanden op de harde schijf opgeslagen?
persoonsvorm (pv)
onderwerp (ow)
gezegde (gez)
lijdend voorwerp (lv)
Benoem uit de zin het onderstreepte zinsdeel:
Piet heeft de kat zojuist eten gegeven.
persoonsvorm (pv)
onderwerp (ow)
gezegde (gez)
lijdend voorwerp (lv)
Benoem uit de zin het onderstreepte zinsdeel:
Heb jij dat boek al helemaal uitgelezen?
persoonsvorm (pv)
onderwerp (ow)
gezegde (gez)
lijdend voorwerp (lv)
Benoem uit de zin het onderstreepte zinsdeel:
Op de Zaanse Schans zag Karim prachtige molens staan.
persoonsvorm (pv)
onderwerp (ow)
gezegde (gez)
lijdend voorwerp (lv)
Benoem uit de zin het onderstreepte zinsdeel:
* Heeft iemand mijn sleutels gezien?
persoonsvorm (pv)
onderwerp (ow)
gezegde (gez)
lijdend voorwerp (lv)
Benoem uit de zin het onderstreepte zinsdeel:
* Waarom heeft niemand mij dat verteld?
persoonsvorm (pv)
onderwerp (ow)
gezegde (gez)
lijdend voorwerp (lv)
Benoem uit de zin het onderstreepte zinsdeel:
* De kraan in de badkamer zou moeten kunnen worden gerepareerd.
persoonsvorm (pv)
onderwerp (ow)
gezegde (gez)
lijdend voorwerp (lv)
Benoem uit de zin het onderstreepte zinsdeel:
* Wat hebben jullie vandaag gegeten?
persoonsvorm (pv)
onderwerp (ow)
gezegde (gez)
lijdend voorwerp (lv)
Ziezo, dat waren de vragen over grammatica. Dan volgen nu 7 vragen over het onderdeel 'Formuleren'. Dat gaat over het gebruik van 'verwijswoorden'.
Hoe heb je het onderdeel grammatica gedaan, denk je?
Ik kan de persoonsvorm benoemen, maar de rest niet
Ik kan de persoonsvorm en het onderwerp benoemen, maar de rest niet
Ik kan de persoonsvorm, het onderwerp en het gezegde benoemen, maar het lijdend voorwerp niet
Ik kan de persoonsvorm, het onderwerp, het gezegde en het lijdend voorwerp benoemen.
Het is bij mij wisselend. De ene zin kan ik wel ontleden, maar de andere niet.
Kies het juiste verwijswoord:
De buurman is te laat. Misschien moet je [...] even bellen?
hij
haar
het
hem
Kies het juiste verwijswoord:
Mijn tante komt vandaag terug uit Spanje. Om drie uur landt [...] op Schiphol. Ga jij [...] halen?
hij, hem
ze, het
zij, haar
ze, zij
Kies het juiste verwijswoord:
Ik vind die spijkerbroek veel mooier dan [...].
dat
deze
dit
zij
Kies het juiste verwijswoord:
Het openstaande bedrag is nog niet voldaan. [...] moet u binnen een week betaald hebben.
Die
Dat
Deze
Hem
Waarnaar verwijst het onderstreepte woord uit de zin?
Op het feest dat morgen plaatsvindt in de stad, zal een bekende dj draaien.
het feest
morgen
in de stad
een bekende dj
Waarnaar verwijst het onderstreepte woord uit de zin?
Helga heeft afgelopen week haar haar blauw laten verven bij de kapper.
Helga
afgelopen week
haar
blauw
bij de kapper
In welke zin is het verwijswoord op de juiste manier gebruikt?
Deze eiland bevestigt het clichébeeld: hagelwitte stranden, straalblauwe lucht en wuivende palmbomen.
Tijdens de vakantie hebben we een hert gezien die een enorm groot gewei had.
Ik heb oma's houten kast, dat al heel oud is, helemaal gerestaureerd.
Mijn zusje heeft haar slaapkamer versierd met foto's van verschillende acteurs.
Ken jij toevallig een meisje die Anna heet?
Dat was het onderdeel 'Formuleren'. Tot slot 20 vragen over 'spelling'; met name over het voltooid deelwoord. Je moet hier antwoorden invullen, niet kiezen. Als je je antwoord verkeerd spelt, wordt het fout gerekend, dus let goed op. Hoe ging het met de verwijswoorden?
Ik denk dat ik de meeste vragen goed heb.
Ik denk dat ik voldoende vragen goed heb.
Ik denk dat ik net te weinig vragen goed heb.
Ik denk dat ik veel vragen niet goed heb.
Schrijf de juiste vorm van het voltooid deelwoord op. Let op, maak geen onnodige spelfouten):
Hoe heb jij die deur zonder een sleutel [...] (openen) ?
(a)
Schrijf de juiste vorm van het voltooid deelwoord op. Let op, maak geen onnodige spelfouten):
Tijdens de gym zijn Karel en Britt tegen elkaar [...] (botsen).
(a)
Schrijf de juiste vorm van het voltooid deelwoord op. Let op, maak geen onnodige spelfouten):
Brenda heeft haar hoofd aan het keukenkastje [...] (stoten).
(a)
Schrijf de juiste vorm van het voltooid deelwoord op. Let op, maak geen onnodige spelfouten):
Wat heb je aan je ouders voor je verjaardag [...] (vragen)?
(a)
Schrijf de juiste vorm van het voltooid deelwoord op. Let op, maak geen onnodige spelfouten):
Wij zijn vorig jaar naar IJmuiden [...] (verhuizen).
(a)
Schrijf de juiste vorm van het voltooid deelwoord op. Let op, maak geen onnodige spelfouten):
Gisteren heeft de kapper mijn haar [...] (verven)
(a)
Pas op!
Schrijf de juiste vorm van de persoonsvorm of het voltooid deelwoord op. (En let op: maak geen onnodige spelfouten):
(verbazen) Henk [...] zich over de slechte reultaten van zijn ploeg.
(a)
Schrijf de juiste vorm van de persoonsvorm of het voltooid deelwoord op. (En let op: maak geen onnodige spelfouten):
(verdraaien) Bij de training heeft Yasmine haar knie [...].
(a)
Schrijf de juiste vorm van de persoonsvorm of het voltooid deelwoord op. (En let op: maak geen onnodige spelfouten):
(slagen) Hoera, mijn zus is voor haar eindexamen [...]
(a)
Schrijf de juiste vorm van de persoonsvorm of het voltooid deelwoord op. (En let op: maak geen onnodige spelfouten):
(worden) [...] jij nooit moe van deze testjes?
(a)
Schrijf de juiste vorm van de persoonsvorm of het voltooid deelwoord op. (En let op: maak geen onnodige spelfouten):
(bevestigen) Mijn opa heeft mijn tekening aan de muur [...].
(a)
Welke letters moeten op de [...] staan?
Bij de grens hebben we een uur bij de d[...]ane gewacht.
eau
ou
oi
gnon
Welke letters moeten op de [...] staan?
Mijn bur[...] ligt helemaal vol kleren en boeken.
eau
ou
oi
gnon
Welke letters moeten op de [...] staan?
De j[...]rnalist schreef een goed stuk voor de krant.
eau
ou
oi
gnon
Dit was het onderdeel spelling. Hierna volgt alleen nog de slotvraag.
Hoe heb je het onderdeel spelling gedaan, denk je?
Ik heb de meeste vragen goed
Ik heb meer vragen goed dan fout
Ik heb meer vragen fout dan goed.
Ik heb de meeste vragen fout
Slotvraag: Dit was de toets Taalverzorging H3. Hoe heb je de toets gemaakt, denk je? Wat zal je score zijn?
Tussen de 100% en 80%
Tussen de 80% en 60%
Tussen de 60% en 40%
Tussen de 40% en 20%
Tussen de 20% en 0%
