wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Voorkennistest cirkelbewegingen

Total questions: 21

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Alleen levende wezens kunnen een kracht uitoefenen.

a)

Waar

b)

Niet waar

2.

Wrijving is geen kracht, maar iets wat er voor zorgt dat een uitrollende fiets tot stilstand komt

a)

Waar

b)

Niet waar

3.

Als je een bal boven de grond loslaat, valt deze vanzelf omlaag. Daar is geen kracht voor nodig

a)

Waar

b)

Niet waar

4.

Als je een bal weggooit, is er na het gooien een kracht op de bal een kracht die er voor zorgt dat de bal verder beweegt.

a)

Waar

b)

Niet waar

5.

Een rollende bal stopt als zijn kracht is verbruikt.

a)

Waar

b)

Niet waar

6.

Op een boek dat stil op tafel licht, werkt geen kracht.

a)

Waar

b)

Niet waar

7.

Op een boek dat stil op tafel licht, werkt één kracht, namelijk de zwaartekracht.

a)

Waar

b)

Niet waar

8.

De resulterende kracht op een boek dat stil op tafel licht is nul.

a)

Waar

b)

Niet waar

9.

Voor een beweging is een kracht nodig

a)

Waar

b)

Niet waar

10.

Als je met een constante snelheid, zonder tegenwind fiets, is de voorwaartste kracht op de fiets constant.

a)

Waar

b)

Niet waar

11.

Als je met een constante snelheid fiets, is je resulterende kracht nul.

a)

Waar

b)

Niet waar

12.

Als je met een constante snelheid fietst, is je voorwaartste kracht iets groter dan de tegenwerkende wrijvingskrachten.

a)

Waar

b)

Niet waar

13.

Een resulterende kracht ongelijk aan nul op een voorwerp veroorzaakt altijd in een versnelling.

a)

Waar

b)

Niet waar

14.

Als de snelheid van een fiets toeneemt, neemt ook de versnelling toe.

a)

Waar

b)

Niet waar

15.

Als de resulterende kracht op twee verschillende voorwerpen even groot is, krijgen deze voorwerpen altijd de zelfde versnelling.

a)

Waar

b)

Niet waar

16.

Zware en lichte voorwerpen die vallen onder invloed van de zwaartekracht (dus zonder wrijving) krijgen dezelfde versnelling.

a)

Waar

b)

Niet waar

17.

Een fietster waarom de nettokracht nul is, beweegt niet, of met een constante snelheid in een rechte lijn.

a)

Waar

b)

Niet waar

18.

Als een boek een kracht uitoefent op een tafel, dan oefent de tafel een evengrote, tegengesteld gerichte kracht uit op het boek.

a)

Waar

b)

Niet waar

19.

Twee voorwerpen kunnen alleen krachten op elkaar uitoefenen als ze met elkaar in contact zijn.

a)

Waar

b)

Niet waar

20.

Op een astronaut in een ruimtestation werkt de zwaartekracht van de aarde.

a)

Waar

b)

Niet waar

21.

De aarde oefent een kracht uit op een appel (zwaartekracht). De appel oefen niet een kracht uit op de aarde.

a)

Waar

b)

Niet waar