Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2KGT Thema 5 Erfelijkheid en Evolutie Bs 1 t/m 5

Total questions: 21

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Hoe noem je de lange dunne draden in een celkern?

a)

Lichaamscellen

b)

DNA

c)

Chromosomen

d)

geslachtcellen

2.

Hoe noemen we de informatie op het DNA voor één erfelijke eigenschap.

a)

Fenotype

b)

Gen

c)

Genotype

d)

Erfelijke eigenschap

3.

De informatie voor de erfelijke eigenschappen van een organisme?

a)

Fenotype

b)

Gen

c)

Genotype

d)

Erfelijke eigenschap

4.

Deze eigenschappen kan je veranderen door de invloed van je omgeving.

a)

Fenotype

b)

Gen

c)

Genotype

d)

Uiterlijk

5.

Hoe noem je het 23ste paar chromosomen?

a)

Lichaamschromosomen

b)

Geslachtcellen

c)

Geslachtchromosomen

d)

Het 23ste paar

6.

Wanneer ontstaat er een nieuw genotype?

a)

de vorming van de eicel

b)

de vorming van de zaadcel die de eicel bevrucht

c)

de geboorte van de baby

7.

Een plotselinge verandering van het genotype heet?

a)

Albino

b)

Mutatie

c)

Verandering

d)

Mutant

8.

Wat is een voorbeeld van een mutant?

a)

Albino

b)

Mutatie

c)

UV-straling

d)

Asbest

9.

Bij welke soort tumor kan er uitzaaiingen ontstaan?

a)

Goedaardige tumor

b)

Kwaadaardige tumor

10.

Bij welke gen is er een mutatie ontstaan bij kanker?

a)

Regeling van de celdeling

b)

Regeling van de haargroei

c)

Regeling van de lever

d)

Regeling van de bevruchting

11.

Radioactieve straling is een voorbeeld van een?

a)

Mutatie

b)

Uiterlijk

c)

Mutagene invloed

d)

uitzaaiing

12.

Welke van de onderstaande feiten behoort NIET bij de evolutietheorie?

a)

Isolatie

b)

Fossielen

c)

Natuurlijke selectie

d)

Geslachtschromosomen

13.

Waarom is het belangrijk dat organismen volwassen worden?

a)

Dan blijven ze langer leven

b)

Dan is hun overlevingskans groter

c)

Dan kunnen ze zich aanpassen aan de omgeving

d)

Dan kunnen ze zich voortplanten

14.

Wat is isolatie?

a)

Een soort kan gescheiden worden door een woestijn. De twee soorten kunnen door mutaties en variaties steeds meer gaan verschilen.

b)

Door een mutatie of geslachtelijke voortplanting kan er een nieuwe soort ontstaan. Beide soorten kunnen naast elkaar blijven bestaan.

c)

Binnen een gebied leven meerdere soorten. Door klimaat verandering blijft er 1 soort bestaan, maar de rest sterft uit.

15.

Fossielen zijn versteende overblijfselen van organismen of afdrukken daarvan. Hoe zijn die fossielen versteend geraakt?

a)

Door de druk van de aardlagen zijn ze heel sterk gemaakt.

b)

Alleen sterke onderdelen van het lichaam zoals botten kunnen fossielen worden.

c)

Door de mineralen die in het materiaal en het zand gaan zitten verstenen het materiaal.

16.

Wat betekent geologie?

a)

De leer van het leven

b)

De leer van de fossielen

c)

De leer van de geschiedenis

d)

De leer van de aarde

17.

Wanneer zijn de eerste mensen ontstaan?

a)

10 miljoen jaar geleden

b)

5 miljoen jaar geleden

c)

3 miljoen jaar geleden

d)

2 miljoen jaar geleden

18.

In de afbeelding zie je een stamboom van de mens. Welke aap is het minst verwant aan de mens?

a)

Chimpansee

b)

Orang-oetan

c)

Baviaan

19.

In de afbeelding zie je een stamboom van slangensoorten. Elke nummer staat voor een slangsoort. Welke slangsoort is uitgestorven?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

20.

Welk organisme heeft 21 chromosomen in zij of haar geslachtscellen zitten?

a)

Tomaat

b)

Tarwe

c)

Mens

d)

Konijn

21.

Bij welk(e) nummer(s) is het genotype nog onbekend.

a)

1 en 4

b)

1 en 2

c)

2 en 3

d)

1 en 3

e)

2 en 4