WorksheetsArchitectuur TERMINOLOGIE - L/M (TEKST)
Total questions: 27
Worksheet time: 14mins
Toren op een koepel
(a)
Horizontale afsluiting van een muuropening.
(a)
Scheidingswand tussen koor en langshuis met lezenaar voor de schriftlezing of voor de zangers. Ook (d) oxaal.
(a)
Dak, dat uit één schuin vlak is gevormd.
(a)
Vlakke, smalle muurband, die geen basis of kapiteel heeft en de muur verticaal geleedt. Vroeg - christelijk en romaans, in verbinding met een rondboogfries. zie Fries.
(a)
Horizontale uit de wand of muur springende, dikwijls plastisch bewerkte band, die delen van een muur, b.v. de verdiepingen van een gebouw van elkaar scheidt of accentueert.
(a)
Het totaal van verticale posten bij gotische maaswerkvensters.
(a)
Gotisch bouwornament, waarvan de vormen uit cirkeldelen zijn gemaakt. Reeds in de romaanse tijd ronde gaten boven de vensters. Uitwerking tijdens de gotiek tot veeldelige vormen.
(a)
Oorspronkelijk de benaming voor het monumentale graf van de Karische koning Mausolos van Halikarnassos (gest. 352 V. Chr.), van zijn vrouw en zuster. Nu gebruikt voor ieder groot bouwwerk boven een graf.
(a)
Cirkelvormig sierschild.
(a)
Uit reusachtige, onregelmatige stenen MAASWERK blokken samengesteld; b.v. de voorhistorische hunebedden.
(a)
Grondvorm van het Griekse huis: rechthoekige ruimte met aan de voorkant verlengde zijmuren.
(a)
Gladde, beschilderde of met een relief versierde rechthoekige plaat die aan het Dorische gebinte met de trigliefen afwisselt.
(a)
De wijze, waarop een muur uit quaders, tegels of andere materialen is gevoegd. Ook de verbinding van verschillende muren tot een geheel.
(a)
Kleine aanbouw aan een burcht voor de bestrijding van aanvallers. Uit de M. laat men b.v. kokende pek vallen.
(a)
In het midden van het bouwwerk als de hoekrisaliet.
(a)
Het middelste van een meerschepige kerk. zie Basiliek.
(a)
Uit kleine stukjes steen of glas samengesteld beeld of vlak ornament. Bij de Romeinen als vloer- en koepelbeslag gebruikt. Door de vroeg-christelijke kunst sinds de 4e eeuw op de wanden en gewelven der kerken overgebracht. Bijzonder rijk in de byzantijnse kunst. (Ravenna, Rome, Constantinopel).
(a)
Voor de muur geplaatste decoratieve blinde bogen, vensters of nissen.
(a)
Voor een muur geplaatste pijleren daarmee verbonden.
(a)
Voor een muur geplaatste halve of driekwartzuil.
(a)
Een aan Maria ge wijde kapel van een Engelse kathedraal die meestal tegen de oostzijde is aangebouwd.
(a)
Vensterpartij van het middenschip van een basilica. Bevindt zich boven de dakaan sluiting van de zijbeuken.
(a)
Horizontale, uitspringende en meestal geprofileerde strook die horizontale elementen van een geoouw (bijvoorbeeld sokkel. ver diepingen, dak) tegen elkaar afzet en verticale elementen (bijvoor beeld zuilen, pilasters) samen voegt Bij de 'omgetrokken' lijst wordt de strook om een verticaal element uitspringend omgeleid
(a)
Hooggeplaatste ste nen boog die uitwendig muren schraagt waartegen hoge gewel ven gespannen zijn. Rust met zijn voet op een steunbeer.
(a)
Decoratief stenen vlechtwerk kenmerkend voor de Gotiek Oorspronkelijk alleen ge bruikt voor de geleding van ven sters. later echter ook voor muur vlakken.
(a)
Rechthoekig Egyptisch grafmonument. gemaakt van bak of natuursteen. Voorloper van de piramide (koningsgraf).
(a)
