wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

D mavo hoeken berekenen

Total questions: 15

Worksheet time: 4hrs 45mins

Name
Class
Date
1.

tan ∠=

a)

aanliggende rechthoekszijde : overstaande rechthoekszijde

b)

overstaande rechthoekszijde : aanliggende rechthoekszijde

c)

schuine zijde : aanliggende rechthoekszijde

d)

schuine zijde : overstaande rechthoekszijde

2.
cos ∠=
a)
aanliggende rechthoekszijde : schuine zijde
b)
overstaande rechthoekszijde : schuine zijde
c)
schuine zijde : aanliggende rechthoekszijde
d)
schuine zijde : overstaande rechthoekszijde
3.
sin ∠=
a)
aanliggende rechthoekszijde : schuine zijde
b)
overstaande rechthoekszijde : schuine zijde
c)
schuine zijde : aanliggende rechthoekszijde
d)
schuine zijde : overstaande rechthoekszijde
4.

In welke driehoeken kun je goniometrie gebruiken om hoeken en zijden te berekenen?

a)

Rechthoekige driehoeken

b)

Gelijkbenige rechthoekige driehoeken

c)

Alle driehoeken

d)

Gelijkbenige driehoeken

e)

Gelijkzijdige driehoeken

5.

De hoeken in een driehoek zijn samen .... graden

a)

180 graden

b)

200 graden

c)

360 graden

d)

160 graden

6.

De hoeken in een vierhoek zijn samen ... graden

a)

360 graden

b)

380 graden

c)

160 graden

d)

180 graden

7.

De hoeken langs een gestrekte lijn zijn samen ... graden.

a)

180 graden

b)

160 graden

c)

Ligt eraan hoe de hoeken verdeeld zijn.

d)

360 graden

8.

Bereken hoek A1.

a)

125º

b)

180º

c)

105º

d)

305º

9.

De hoeken van een gelijkzijdige driehoek zijn allemaal ....

Kies alle goede antwoorden.

a)

60 graden

b)

even groot

c)

120 graden

d)

53 graden

10.

Driehoek ABC is gelijkbenig. AB = AC

Welke speciale eigenschap van deze driehoek kun je gebruiken bij hoeken berekenen.

a)

De basishoeken zijn gelijk.

b)

Deze driehoek heeft drie even grootte hoeken.

c)

De driehoekensom.

d)

Dat de zijden gelijk zijn.

11.

Welke driehoeken zijn gelijkvormig?

a)

Δ ABC ∾ Δ ADE

b)

Δ ABC ∾ Δ AED

c)

geen idee

d)

Δ ABC

12.

∠B = ∠D1 omdat.....

a)

het F-hoeken zijn.

b)

het Z-hoeken zijn

c)

het gelijkvormige hoeken zijn.

d)

het overstaande hoeken zijn.

13.

Welke hoeken zijn gelijkvormig.

Kies alle goede antwoorden.

a)

Δ ABC ∾ Δ DEC

b)

Δ ABC ∾ Δ AFG

c)

Δ DEC ∾ Δ AFG

d)

Δ ABC ∾ Δ CDE

e)

Δ DAB ∾ Δ ADE

14.

∠C1 = ∠C2 omdat.....

a)

het Z-hoeken zijn.

b)

het F-hoeken zijn.

c)

het overstaande hoeken zijn.

d)

ze op één lijn liggen

e)

je kunt zien dat ze even groot zijn.

15.

∠B = ∠F1 omdat.....

a)

het Z-hoeken zijn.

b)

het F-hoeken zijn.

c)

het overstaande hoeken zijn.

d)

ze op één lijn liggen

e)

je kunt zien dat ze even groot zijn.