WorksheetsNaamvallen/ vaste voorzetsels, ontleden
Total questions: 45
Worksheet time: 21mins
Welk voorzetsel hoort in de zin?
Ich laufe die Schule (langs).
langs
bei
von
entlang
Welke naamval komt na Ausßer?
3e naamval
4e naamval
Wanneer vertaal je naar met in?
Bij aardrijkskundige namen met lidwoord
Bij aardrijkskundige namen zonder lidwoord
Bij vaste uitdrukkingen
Bij tijdsbepalingen
Welk voorzetsel hoort in de zin?
Ich habe ein Geschenk (voor) meinen Vater.
vor
für
zu
bei
Wat betekent seit?
langs
zonder
sinds
naast
Welk van deze voorzetsels hoort bij de 3e naamval?
Durch
Bis
Entlang
Mit
Welk voorzetsel hoort bij de 4e naamval?
Zu
Bei
Gegenuber
Um
Welke naamval volgt na ohne?
3e naamval
4e naamval
Welke naamval volgt na gegen?
3e naamval
4e naamval
Vul het voorzetsel en lidwoord in.
Er fährt (naar de) Friseur.
zum
zu dem
nach dem
nach der
Vul het voorzetsel en lidwoord in.
Ich laufe (langs de zee).
dem Meer entlang
der Meer entlang
das Meer entlang
die Meer entlang
Er schaut durch d... Fenster.
das
dem
den
Ohne unser... Freunde kommen wir nicht.
unseren
unsere
unser
Wir sitzen alle um d... runden Tisch (m)
dem
den
das
Du darfst den Film nicht ohne dein... Bruder sehen.
deinem
dein
deinen
Das Geschenk ist für ihr... Großeltern.
ihre
ihren
ihrem
Ich habe etwas gegen mein... Lehrerin.
meine
meiner
mein
Ich renne durch d... Museum.
die
das
den
Ohne euer... Hilfe schaffe ich es nicht.
eu(e)re
eu(e)ren
eu(e)rem
Für welch... Team bist du?
welche
welches
welch
Er fährt d... Straße entlang.
der
den
die
Welke voorzetsels hebben de 3e naamval?
nach, seit, gegen
durch, für ohne
mit, bei, von
um, aus, zu
Welke voorzetsels heeft de 1e naamval?
seit, von, zu
durch, für, gegen
mit, ohne, nach
geen
Welke voorzetsels hebben de 4e naamval?
durch, gegen, ohne
aus, bei, mit
nach, seit, von
für, zu, um
Abends sitzen wir immer alle um d.... Tisch (m).
der
die
den
das
dem
Er hat sich bei d.... Aktion (v) verwundet.
die
der
das
dem
den
Warum bist du nicht mit dein.... Freund gekommen?
deine
deiner
deinen
dein
deinem
Das Geschenk ist für unser.... Großeltern.
unseren
unserer
unseres
unsere
unser
Nach dies.... Test (m) war er sehr traurig.
diesen
dies
diesem
dieser
dieses
Ich kann nicht ohne (haar) (a)
Bist du morgen bei (mij) (a) ?
Das Heft war doch von (jou) (a) ?
Ich bin mit (hem) (a) ins Kino gegangen.
Wir haben die Nachricht von (hun) (a) noch nicht bekommen.
De 1e naamval gebruiken we bij een
onderwerp
lijdend voorwerp
meewerkend voorwerp
zelfstandig naamwoord altijd
De 4e naamval gebruiken we bij een
onderwerp
lijdend voorwerp
meewerkend voorwerp
bij een voorzetsel met 4e naamval
De 3e naamval gebruiken we voor een
onderwerp
lijdend voorwerp
meewerkend voorwerp
bij een voorzetsel met de 3e naamval
De man zoent zijn vrouw. De man is hier
onderwerp
lijdend voorwerp
meewerkend voorwerp
De man zoent zijn vrouw. Zijn vrouw is hier
onderwerp
lijdend voorwerp
meewerkend voorwerp
Der Lehrer hat seine Schüler begrüßt
Der Lehrer = 1e naamval
Der Lehrer = 4e naamval
seine Schüler = 3e naamval
seine Schüler = 4e naamval
Er schenkte seiner Frau zum Geburtstag einen Blumenstrauß
"Er" = ow - "einen Blumenstrauß" = lv - "seiner Frau" = mwv
"Er" = 1nv - "einen Blumenstrauß" = 4nv - "seiner Frau" = 3nv
"Er" = 1nv - "einen Blumenstrauß" = 3nv - "seiner Frau" = 4nv
Dieser Wein schmeckt <=smaakt> mir sehr gut
"Dieser Wein" = ow - "mir" = lv
"Dieser Wein" = lv - "mir" = ow
"Dieser Wein" = ow - "mir" = mwvw
"Dieser Wein" = lv - "mir" = ow
De 1e naamval gebruiken we bij een
onderwerp
lijdend voorwerp
meewerkend voorwerp
zelfstandig naamwoord altijd
De 4e naamval gebruiken we bij een
onderwerp
lijdend voorwerp
meewerkend voorwerp
bij een voorzetsel met 4e naamval
De 3e naamval gebruiken we voor een
onderwerp
lijdend voorwerp
meewerkend voorwerp
bij een voorzetsel met de 3e naamval
