Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Klas 3 H5 Lezen en woordenschat

Total questions: 29

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Wat betekent: vermijden

a)

een uitdaging aangaan

b)

uit de weg gaan

c)

bang zijn

d)

verdrietig zijn

2.

Wat betekent: er niet mee te koop lopen

a)

het niet willen verkopen

b)

het alleen voor het beste bod willen verkopen

c)

in de war zijn

d)

het niet aan iedereen laten merken

3.

Wat betekent: verward zijn

a)

onwetend zijn

b)

van elkaar verschillen

c)

onterecht boos zijn

d)

door elkaar halen

4.

Wat betekent: waarnemen

a)

zien, horen, voelen, ruiken, proeven

b)

heel erg houden van de natuur

c)

heel onervaren zijn

d)

opmerken

5.

Vanochtend was ik doodziek.

a)

ironie

b)

overdrijving

6.

'Wat heb jij een prachtige jurk aan!'

a)

ironie

b)

overdrijving

7.

Ik sterf van de honger.

a)

ironie

b)

overdrijving

8.

'Eet nog meer chocola, dat is goed voor je.'

a)

ironie

b)

overdrijving

9.

'Een voldoende voor rekenen? Dat gaat nog jaren duren!'

a)

ironie

b)

overdrijving

10.

'Je wordt bedankt!'

a)

ironie

b)

overdrijving

11.

'Ik heb huizenhoge schulden.'

a)

ironie

b)

overdrijving

12.

'Jij bent de beste.'

a)

ironie

b)

overdrijving

13.

'Jij bent het allerliefste kind dat ik ooit heb meegemaakt!'

a)

ironie

b)

overdrijving

14.

'Af en toe ben ik stekeblind.'

a)

ironie

b)

overdrijving

15.

Een feitelijk argument is

a)

waar

b)

juist

c)

controleerbaar

d)

het beste

16.

Om verband aan te brengen tussen de argumenten gebruik je

a)

signaalwoorden

b)

feiten

c)

voorbeelden

17.

Om verband aan te brengen tussen de argumenten gebruik je

a)

signaalwoorden

b)

feiten

c)

voorbeelden

18.

Doordat, daardoor, zodat en waardoor horen bij het verband:

a)

concluderend verband

b)

oorzaak-gevolg

c)

tegenstellend

d)

voorbeeldgevend

19.

Welke functie heeft de inleiding van een tekst meestal?

(a)  

20.
Hierin wordt het belangrijkste uit de tekst kort herhaald.

a)
in de inleiding
b)
in het middenstuk
c)
in het slot
21.
Je leest de tekst dan van het begin tot aan het eind goed door.
a)
globaal lezen
b)
zoekend lezen
c)
precies lezen
22.

Een tekst is vaak opgebouwd uit

a)

begin, midden, eind

b)

inleiding, middenstuk (kern) en slot

c)

stelling, argument, conclusie

d)

onderwerp en plaatjes

23.

Welk tekstdeel is het grootst?

a)

Inleiding

b)

Middenstuk

c)

Slot

24.

Bij een mening

a)

vertel je feitelijkheden

b)

vertel je wat je van iets vindt

c)

geef je een onderbouwing

25.

signaalwoorden van een mening zijn:

a)

omdat, doordat, daarom

b)

ten slotte, verder, tot slot

c)

ik vind, volgens mij, ik denk

d)

kortom, met andere woorden, dus

26.

Wat is een argument

a)

uitleg waarom je iets vindt

b)

uitleg waarom je iets denkt

c)

uitleg waarom je iets ziet

27.

Aan welk signaal woord herken je géén argument

a)

want

b)

namelijk

c)

immers

d)

vervolgens

28.

Wanneer volgt een conclusie

a)

tot slot van alle argumenten

b)

tot slot van alle meningen

c)

tot slot van alle feiten

d)

geen van de drie

29.

Welk signaalwoord hoor NIET bij een conclusie

a)

concluderend

b)

dus

c)

dat betekent

d)

en