wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefenen met V1k

Total questions: 24

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het onderwerp in deze zin: de paaseitjes van ome Sjaan zijn echt superlekker!

a)

superlekker

b)

ome Sjaan

c)

de paaseitjes

d)

de paaseitjes van ome Sjaan

2.

Om het onderwerp in een zin te vinden, kun je de vraagproef stellen. Hoe gaat deze vraag?

a)

Wie of wat + werkwoordelijk gezegde?

b)

Wat zijn alle werkwoorden in een zin?

c)

Welk werkwoord verandert er, als je de zin in een andere tijd zet?

3.

Wijs het sterke werkwoord aan

a)

Smeken

b)

Kraken

c)

Breken

d)

Fietsen

4.

Bij een zwak werkwoord komt er in de verleden tijd te(n) of de(n) bij.

a)

Waar

b)

Niet waar

5.

Hoe krijg je de stam van een werkwoord?

a)

Door er hij of zij voor te zetten

b)

Door 'en' van het hele werkwoord af te halen.

6.

Verleden tijd: Ik ben in dat jaar naar de stad Rome (verhuizen)

a)

Verhuisdt

b)

Verhuist

c)

Verhuisd

d)

Verhuiste

7.

Verleden tijd: De zandkoekjes (smaken) heerlijk toen ik ze gebakken had.

a)

Smaakden

b)

Smaakte

c)

Smaakde

d)

Smaakten

8.

Verleden tijd: De vlieger van mijn broertje (verwoesten) heel de kersenboom.

a)

Verwoesde

b)

Verwoeste

c)

Verwoestte

d)

Verwoesdde

9.

Verleden tijd: Bryan (verkopen) zijn Playstation voor €100,-

a)

Verkoopte

b)

Verkoopde

c)

Verkochte

d)

Verkocht

10.

Verleden tijd: Patrick de zeester (bakken) geen krabburgers meer.

a)

Bakde

b)

Bakte

c)

Baktte

d)

Bakt

11.

Verleden tijd: Johan de Witt (verdedigen) zijn land.

a)

Verdedigt

b)

Verdedigd

c)

Verdedigde

d)

Verdedigte

12.

Verleden tijd: Mijn vader was vroeger dichter, en hij (dichten) gigantisch veel.

a)

Dichde

b)

Dichte

c)

Dicht

d)

Dichtte

13.

Als je een tekst schrijft, dan sluit je af met een.

a)

Inleiding

b)

Kern

c)

Slot

14.

In het slot schrijf je vaak een korte samenvatting, of je trekt een conclusie.

a)

Waar

b)

Niet waar

15.

Wat is een regel?

a)

Een stuk tekst dat begint met een hoofdletter en eindigt met een punt.

b)

Een stuk tekst dat van links naar rechts loopt, over de gehele breedte.

16.

Is deze zin letterlijk of figuurlijk bedoeld: ik kan geen touw aan je verhaal vastknopen!

a)

Letterlijk

b)

Figuurlijk

17.

De auto van opa rammelde aan alle kanten. Letterlijk of figuurlijk?

a)

Letterlijk

b)

Figuurlijk

18.

Wat wordt er met deze zin bedoeld: jouw verhaal rammelt aan alle kanten!

a)

Er klopt niets van je verhaal.

b)

Je woorden komen er wat stotterend uit.

c)

Het verhaal is best heftig!

d)

Jouw verhaal wordt vanuit meerdere kanten verteld.

19.

Woordjes: apparaat om de (wind)richting mee te bepalen

a)

ijzel

b)

titel

c)

omslag

d)

kompas

20.

Wat betekent: grootte

a)

omvang

b)

hoe je over iets denkt

c)

hoe een verhaal afloopt

d)

melden, bericht geven

21.

Wat betekent: erfelijk?

a)

iemand die in een ander land geboren is

b)

rij

c)

onderwerp

d)

overgedragen van ouder op kind

22.

Wat betekent: beoordelen?

a)

goed- of afkeuring geven

b)

plaatje bij tekst

c)

melden, bericht geven

d)

hoe je over iets denkt

23.

Wat betekent: mening

a)

Hoe je over iets denkt

b)

Doen

c)

Hoe een verhaal afloopt

d)

Bevroren regen

24.

Frits (branden) vorige week zijn vingers.

a)

Brand

b)

Brandt

c)

Brandte

d)

Brandde