Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Pluriforme samenleving meivakantie

Total questions: 13

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Een pluriforme samenleving is een samenleving waarin:

a)

mensen van verschillende sociale klassen, godsdiensten en levensstijlen samenleven.

b)

mensen van verschillende sociale klassen samenleven.

c)

mensen van verschillende sociale klassen en godsdiensten samenleven.

d)

mensen van verschillende godsdiensten en levensstijlen samenleven.

2.

Welke omschrijving gebruikt de overheid nu voor mensen die vroeger als allochtoon werden aangeduid?

a)

Genaturaliseerde Nederlanders.

b)

Inwoners met een migratieachtergrond.

c)

Migranten.

d)

Tweede generatie-Nederlanders.

3.

Welk begrip wordt hier beschreven "Het proces waarbij iemand bewust en onbeuwst de waarden, normen en andere cultuurkenmkern van zijn groep krijgt aangeleerd"

a)

Imitatie

b)

Polarisatie

c)

Socialisatie

d)

Etnocentrime

4.

In een land is er sprake van een kleine machtsafstand bij relaties en is er een feminiene cultuur. Welk land zou dit kunnen zijn?

a)

Rusland

b)

Zweden

c)

Vietnam

d)

Brazilie

5.

Rolpatronen van mannen en vrouwen zijn vooral sterk veranderd onder invloed van:

a)

de sociale cohesie op het platteland.

b)

de traditionele godsdiensten.

c)

emancipatiebewegingen.

d)

het referentiekader van ouderen.

6.

Het kenmerkende van een subcultuur is dat een subcultuur:

a)

afwijkt van de dominante cultuur.

b)

botst met de dominante cultuur.

c)

altijd maar kort bestaat.

d)

weinig tolerantie kent.

7.

Welk gedrag van de mens wordt door de natuur bepaald?

a)

In Spanje spreekt het mereldeel van de mensen spaans

b)

Een baby huilt omdat ze honger heeft.

c)

Een meisje houdt van voetbal.

d)

Een jongen vloekt de hele dag.

8.

Sociale controle is

a)

de manier waarop mensen anderen stimuleren zich aan de gedragsregels te houden

b)

het proces waarbij de kenmerken van de dominante cultuur worden doorgegeven aan een volgende generatie.

c)

het proces dat tot een sociale identiteit leidt.

d)

een vorm van internalisatie.

9.

Wanneer kun je spreken van internalisatie?

a)

Als je je automatisch gedraagt volgens de normen van een groep.

b)

Als je je ervan bewust bent dat waarden en normen door anderen worden opgelegd.

c)

Als er een conflict is tussen je eigen waarden en die van je omgeving.

d)

Als je de normen en waarden van de dominante cultuur respecteert.

10.

I. Als een cultuur collectivistisch is, biedt die veel ruimte tot de ontwikkeling van een persoonlijke identiteit.

II. Als iemands persoonlijke belangen ondergeschikt zijn aan de belangen van de groep, dan noemen we die groep collectivistisch.

a)

I is juist, II is onjuist.

b)

I is onjuist, II is juist.

c)

I en II zijn beide juist.

d)

I en II zijn beide onjuist.

11.

Hieronder zie je enkele ontwikkelingen in Nederland. Welke van deze ontwikkelingen horen bij het begrip ‘ontzuiling’?

I. Organisaties en verenigingen maken zich steeds meer los van de kerk.

II. Nederland wordt meer en meer een consumptiemaatschappij.

III. Katholieke en protestantse kinderen gaan ook naar openbare basisscholen.

a)

I en II.

b)

I en III.

c)

II en III.

d)

I, II en III.

12.

Op welke manier wordt cultuur niet overgedragen?

a)

Informatie

b)

Imitatie

c)

Sociale controle

d)

Sociale cohesie

13.

Wat is geen voorbeeld van een tegencultuur?

a)

Viruswaarheid

b)

Anonymous

c)

Rebellion extinction

d)

Feministen