wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefentoets H11

Total questions: 17

Worksheet time: 34mins

Name
Class
Date
1.

Een gewerveld dier heeft altijd een........

4 lines
2.

Stelling 1: Dieren met hetzelfde bouwplan hebben vaak dezelfde soort botten.

Stelling 2: Dieren met hetzelfde bouwplan verschillen vaak veel van elkaar door hun verschillende leefwijze.

a)

Beide stelling zijn niet waar

b)

Beide stellingen zijn waar

c)

Alleen stelling 1 is waar

d)

Alleen stelling 2 is waar

3.

Een slang is een

a)

Reptiel

b)

Amfibie

c)

Zoogdier

d)

Geen van de bovenstaande antwoorden is juist

4.

Wat is juist

a)

1: topganger 2: teenganger 3: zoolganger

b)

1: zoolganger 2: topganger 3: teenganger

c)

1: teenganger 2: zoolganger 3: topganger

d)

1: zoolganger 2: teenganger 3: topganger

5.

Usain zijn record is 100m afleggen in 9,58s. Hoeveel meter legt hij af per seconde?

4 lines
6.

Max rijdt een parcour van 250km. Hij doet daar 1 uur en 20 minuten over. Wat is zijn gemiddelde snelheid.

4 lines
7.

Jesper fietst met een gemiddelde snelheid van 25km/u door het bos. Na 1 uur en 45 minuten stopt hij, hoeveel kilometer heeft jesper afgelegd?

4 lines
8.

Daphne en Sophie rijden door de stad. Ze hebben een gemiddelde snelheid van 15m/s. Hoeveel kilometer hebben ze afgelegd na een half uur?

4 lines
9.

Wat is Newton (N)

4 lines
10.

Jelle is aan het fietsen en produceert een spierkracht van 280N. De rolweerstand is 240N, wat gebeurd er met zijn snelheid?

a)

Hij versnelt

b)

Hij vertraagd

c)

Hij blijft constant

d)

Hij staat stil

11.

Wat gebeurd er?

a)

De hefboom valt naar links naar beneden

b)

De hefboom valt rechts naar beneden

c)

De hefboom is in evenwicht

12.

Wat moet er op plaats q komen?

4 lines
13.

Noem 3 voorbeelden van dingen die je reactietijd kunnen beinvloeden.

4 lines
14.

Noem 3 voorbeelden van veiligheidsmaatregelen tegen botsingen in een auto.

4 lines
15.

Nellie rijdt met een snelheid van 34 meter per seconden. Ze moet plotseling remmen, haar reactietijd is 2,5 seconden. Wat is haar reactieafstand?

4 lines
16.

Bram rijdt met een snelheid van 28m/s maar moet plotseling remmen. Zijn reactietijd is 1,8 seconden, zijn remafstand is 70 meter. Wat is zijn stopafstand?

4 lines
17.

Wat vond je het moeilijkste onderdeel? (meerdere antwoorden zijn mogelijk)

a)

Botstructuren en evolutie

b)

Snelheid berekenen

c)

Krachten en hefbomen

d)

Veiligheid en reactietijd berekenen