wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Politiek par 4 t/m 7

Total questions: 32

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Wat is GEEN kenmerk van een democratie?

a)

Er is een grondwet

b)

De politieke macht is verdeeld in drie onderdelen

c)

Er is een minister president

d)

Het gekozen parlement heeft de hoogste macht

e)

Er zijn vrije geheime verkiezingen

2.

Welk begrip hoort bij deze omschrijving?

Hierin staan de belangrijkste rechten en plichten van burgers en de overheid

(a)  

3.

een ander woord voor grondrechten is ...

(a)  

4.

In Nederland heb je vrije verkiezingen omdat:

a)

Je zelf mag weten waar je gaat stemmen

b)

Je zelf mag weten hoe laat je gaat stemmen

c)

Je zelf mag weten op wie je gaat stemmen

d)

Je niemand hoeft te vertellen op wie je gestemd hebt

5.

In Nederland heb je geheime verkiezingen omdat:

a)

Je zelf mag weten waar je gaat stemmen

b)

Je zelf mag weten hoe laat je gaat stemmen

c)

Je zelf mag weten op wie je gaat stemmen

d)

Je niemand hoeft te vertellen op wie je gestemd hebt

6.

Uit welke twee onderdelen bestaat het parlement?

a)

De Tweede Kamer

b)

De ministers en de Koning

c)

De Eerste Kamer

d)

De ministers en staatssecretarissen

7.

In Nederland heeft het parlement de hoogste macht. Waarom?

a)

Omdat zij moeten stemmen over ieder wetsvoorstel en elke belangrijke maatregel. Als zij iets afkeuren gaat het niet door

b)

Omdat zij gekozen zijn door het volk

c)

Omdat zij alle nieuwe wetten schrijven

d)

Omdat de ministers uit het parlement gekozen worden

8.

Hoe noemen we de scheiding van machten?

(a)  

9.

Taakverdeling bij de scheiding van machten. Wie doet wat?

Het parlement:

a)

beslist over alle wetsvoorstellen

b)

voert wetten uit

c)

beoordeeld of de overheid zich wel aan de wet houdt

10.

Taakverdeling bij de scheiding van machten. Wie doet wat?


Rechters:

a)

beslissen over alle wetsvoorstellen

b)

voeren wetten uit

c)

beoordelen of de overheid zich wel aan de wet houdt

11.

Taakverdeling bij de scheiding van machten. Wie doet wat?


Ministers:

a)

beslissen over alle wetsvoorstellen

b)

voeren wetten uit

c)

beoordelen of de overheid zich wel aan de wet houdt

12.

De regering bestaat uit:

a)

De koning en de minister president

b)

De koning en de ministers

c)

De ministers en de staatssecretarissen

d)

De eerste en de tweede kamer

13.

Welke twee woorden moeten op de puntjes?

De regering is het ... ... van ons land

(a)  

14.

De partijen die samen de regering gaan vormen schrijven hun plannen op in het ...

(a)  

15.

Waar of niet waar?

Iedere minister houdt zich bezig met een klein stukje van de samenleving. Bijvoorbeeld onderwijs, landbouw of defensie

a)

waar

b)

niet waar

16.

Alle ministers en staatssecretarissen samen noemen we het ...

(a)  

17.

De leider van het kabinet is Mark Rutte. Hij de de ...

(a)  

18.

Bij wie horen de volgende taken?

- de troonrede voorlezen

- een handtekening onder nieuwe wetten zetten

- Overeggen met de minister-president

- ons land vertegenwoordigen in het buitenland

- ministers en staatssecretarissen beëdigen.

(a)  

19.

Welke woorden horen bij elkaar? Kies er drie.

a)

troonrede

b)

ministers

c)

miljoenennota

d)

Prinsjesdag

20.

Hoeveel leden heeft de Eerste Kamer?

(a)  

21.

Hoeveel leden heeft de Tweede Kamer?

(a)  

22.

Vanaf hoeveel zetels heb je een meerderheid in de Tweede Kamer?

(a)  

23.

Waarom is het handig als de regeringspartijen een meerderheid hebben in de Tweede Kamer?

a)

Dan worden hun wetsvoorstellen zeker goedgekeurd, want daar heb je een meerderheid voor nodig.

b)

Dan kunnen ze de wetsvoorstellen van de andere partijen makkelijker tegenhouden.

c)

Dan hoeft er door de Eerste Kamer niet meer naar goedgekeurde wetsvoorstellen gekeken te worden.

d)

Alle drie de antwoorden zijn goed

24.

Wat zijn de twee hoofdtaken van het parlement

a)

Troonrede schrijven

b)

(mede)wetgeving. Dus wetsvoorstellen schrijven

c)

Controleren van de ministers

d)

Tegenhouden van wetten die niet kloppen met de grondwet

25.

De partijen die samen de regering vormen noem je de ...

(a)  

26.

De partijen die niet bij de regeringspartijen horen noem je de ...

(a)  

27.

De gemeente beslist over:

a)

lokale kwesties

b)

landelijke zaken

28.

Het gemeentebestuur bestaat uit

a)

Staatssecretarissen

b)

Provinciale staten

c)

Burgemeester en Wethouders (college van B&W)

d)

de gemeenteraad

29.

Elke ... jaar kiest de bevolking een nieuwe gemeenteraad.

Welk getal moet op de puntjes?

(a)  

30.

Wat zijn taken van de gemeenteraad?

a)

Stemmen over belangrijke besluiten

b)

Stemmen over wie de volgende burgemeester wordt

c)

Controleren of de politie zijn werk goed doet in de gemeente

d)

Controleren of het college van Burgemeester en Wethouders hun werk goed doen.

31.

Welk woord hoort op de puntjes?

Het werk van een wethouder kan je vergelijken met dat van een ... Ze zijn verantwoordelijk voor een stukje van de samenleving.

(a)  

32.

Wat is waar? Kier er twee.

a)

Een burgemeester wordt gekozen door de bevolking

b)

Een burgemeester wordt benoemd voor 4 jaar

c)

Een burgemeester wordt benoemd voor 6 jaar

d)

De burgemeester is de baas over de brandweer, de politie en heeft de leiding bij rampen in de gemeente.