wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

De Grote Begrijpend Lezen quiz!!

Total questions: 32

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Waarmee begin je een zakelijke email?

a)

Hey meneer Reinders,

b)

Yo Reinders,

c)

Geachte heer Reinders,

d)

geachte heer reinders

2.

Uit hoeveel alinea's bestaat een zakelijke email minimaal?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

3.

Welke volgorde van alinea's is juist bij een zakelijke email?

a)

inleiding - middenstuk - slot

b)

middenstuk - inleiding - slot

c)

slot - middenstuk - inleiding

4.

Wat zal er NIET in de inleiding staan?

a)

voorbeelden van het onderwerp

b)

jezelf voorstellen

c)

het onderwerp presenteren

d)

vragen of er zo snel mogelijk gereageerd kan worden op jouw email

5.

Hoe sluit je de email af? Dus wat zet je als allerlaatst helemaal onderaan? Typ bij jouw naam: Wouter Reinders

(a)  

6.

Welke signaalwoord geeft een tegenstelling aan? Meerdere antwoorden zijn goed!

a)

maar

b)

hoewel

c)

toch

d)

ook

7.

Een gerecht voor erwtensoep is geschreven om te:

a)

informeren

b)

instrueren

c)

amuseren

d)

waarschuwen

8.

Wat is een 'verband' bij begrijpend lezen?

a)

Een stuk tape om je enkel

b)

Zaken die niets met elkaar te maken hebben

c)

Twee of meerdere zaken die iets met elkaar te maken hebben

9.

De auto stopte, omdat de benzine op was. Welk verband hoort bij deze zin?

a)

oorzaak - gevolg

b)

tegenstelling

c)

opsomming

d)

doel - middel

10.

Om mijn examen te halen, moet ik de lessen van meneer Reinders volgen. Welk verband zit er in deze zin?

a)

oorzaak - gevolg

b)

tegenstelling

c)

opsomming

d)

doel - middel

11.

De volgende leerlingen zijn eruit gestuurd: Tobey, Bram, Max, Mats, Liam en Kenrice. Welk verband zit er in deze zin?

a)

oorzaak - gevolg

b)

tegenstelling

c)

opsomming

d)

doel - middel

12.

Hoewel ik nu miljonair ben, ga ik niet stoppen met werken. Wat is hier het verband?

a)

oorzaak - gevolg

b)

tegenstelling

c)

opsomming

d)

doel - middel

13.

Als...dan...Welk verband past bij deze woorden?

a)

tegenstelling

b)

voorwaarde

c)

conclusie

d)

opsomming

14.

Welk verband past het het woord dus.

a)

conclusie

b)

voorwaarde

c)

oorzaak - gevolg

d)

doel - middel

15.

Welke functie kan het slot hebben? Meerdere antwoorden kunnen goed zijn.

a)

toekomstvoorspelling

b)

samenvatting

c)

conclusie

16.

Het woord maar geeft altijd een tegenstellend verband weer.

a)

waar

b)

niet waar

17.

Welk doel heeft een stripverhaal in de krant?

a)

amuseren

b)

informeren

c)

waarschuwen

d)

instrueren

18.

Welk doel hebben (bijna) alle artikelen in een krant?

a)

amuseren

b)

informeren

c)

instrueren

d)

waarschuwen

19.

De belangrijkste zin uit de tekst is:

a)

het onderwerp

b)

de hoofdgedachte

c)

een mening

d)

de slotzin

20.

Die leraar lijkt op een bekende voetballer. Welk verband hoort bij lijkt op?

a)

tegenstelling

b)

vergelijking

c)

opsomming

d)

voorwaarde

21.

De spier is verdikt, daardoor krijgt de pees te weinig ruimte. Welk verband hoort bij deze zin?

a)

conclusie

b)

oorzaak - gevolg

c)

voorbeeld

d)

voorwaarde

22.

Bekijk het plaatje. Wat zie je hier?

a)

een feit

b)

een mening

c)

een argument

23.

Om jouw mening sterker te maken, gebruik je een...

a)

voorbeeld

b)

stemverheffing

c)

argument

24.

Wat is een feit? Misschien zijn er meerdere antwoorden goed.

a)

iets dat de waarheid is

b)

iets dat vast staat

c)

iemands mening

d)

iets dat op Facebook staat

25.

Als gevraagd wordt om het onderwerp van de tekst op te schrijven, dan doe je dan in...

a)

één hele zin

b)

met één of een paar woorden

c)

met heel veel woorden

d)

met een samenvatting

26.

Wat is het onderwerp van een tekst?

a)

de conclusie van de tekst

b)

de titel

c)

een samenvatting

d)

waar de tekst over gaat

27.

Een tekst over het menselijk lichaam is het meest betrouwbaar als wie??? het heeft geschreven?

a)

de burgemeester van Hengelo

b)

de baas van de dierentuin

c)

de vrouw van Freek Vonk

d)

een docent biologie

28.

Wat is verkennend lezen?

a)

de titel, plaatje en opvallende dingen van de tekst bekijken

b)

de tekst heel goed lezen

c)

een alinea uit de tekst lezen

d)

de eerste en laatste zin van alle alinea's lezen

29.

Wat is zoekend lezen?

a)

de vraag lezen en zoeken naar je antwoord

b)

de tekst lezen, de vraag lezen en zoeken naar je antwoord

c)

een antwoord aankruisen zonder de tekst te bekijken

d)

op zoek gaan naar je toets en dan een antwoord invullen

30.

Wat doe je als ze vragen: 'Citeer de zin.'

a)

één woord opschrijven

b)

de gevraagde zin opschrijven

c)

opschrijven welke regel de zin staat

d)

de zin hardop zeggen

31.

Welke zin is goed 'geciteerd'? Twee antwoorden zijn goed.

a)

Meneer Reinders is de allerbeste leraar van de school

b)

'Meneer Reinders...de school.'

c)

'Meneer Reinders is de allerbeste leraar van de school.'

d)

Regel 15

32.

Wat betekent 'citeren'?

a)

ongeveer opschrijven wat er staat

b)

letterlijk opschrijven wat er staat

c)

iets voorzeggen

d)

opschrijven waar iets staat