wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Begrippen hoofdstuk 5

Total questions: 15

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een betalingsbalans?

a)

De mate waarin een land in staat is om beter en/of goedkoper te produceren dan andere landen.

b)

De mate waarin een land in staat is om beter en/of goedkoper te produceren dan andere landen.

c)

Een overzicht van alle betalingen aan het buiteland en alle ontvangsten uit het buitenland.

d)

Een land met veel in- en uitvoer in verhouding tot het nationaal inkomen. Het land heeft een hoge import- en exportquote.

2.

Wat is een exportquote?

a)

Gemeenschappelijke markt. Voor de handel zijn alle binnengrenzen tussen lidstaten van de EU vervallen. Daardoor is er vrij verkeer van: goederen en diensten, personen en kapitaal

b)

Een maximumaantal producten dat ingevoerd mag worden.

c)

De totale uitvoerwaarde als percentage van het nationaal inkomen.

d)

Een product wordt geproduceerd en geëxporteerd door het land dat dit het beste en goedkoopste kan.

3.

Wat is een gesloten economie?

a)

Een land met veel in-en uitvoer in verhouding tot het nationaal inkomen. Het land heeft een hoge import- en exportquote.

b)

Een land met weinig in-en uitvoer in verhouding tot het nationaal inkomen. Het land heeft een lage import- en exportquote.

c)

De mate waarin een land in staat is om beter en/of

goedkoper te produceren dan andere landen.

d)

Importheffingen, douanerechten. Belasting op ingevoerde producten.

4.

Wat is een importquote?

a)

Een land met weinig in-en uitvoer in verhouding tot het nationaal inkomen. Het land heeft een lage import- en exportquote.

b)

De totale invoerwaarde als percentage van het nationaal inkomen.

c)

Een land met veel in-en uitvoer in verhouding tot het nationaal inkomen. Het land heeft een hoge import- en exportquote.

d)

De overheid geeft subsidie aan exporterende bedrijven, waardoor die hun producten goedkoper aan het buiteland kunnen verkopen.

5.

Wat is een open economie?

a)

Een land met veel in-en uitvoer in verhouding tot het nationaal inkomen. Het land heeft een hoge import- en exportquote.

b)

Een land met weinig in-en uitvoer in verhouding tot het nationaal inkomen. Het land heeft een lage import- en exportquote.

c)

Goederen worden eerst ingevoerd en na een korte bewerking meteen doorverkocht aan het buiteland.

d)

De toenemende vrije wereldhandel als gevolg van het openstellen van grenzen en nieuwe vormen van communicatie en transport.

6.

Wat is wederuitvoer?

a)

De totale invoerwaarde als percentage van het nationaal inkomen.

b)

Gemeenschappelijke markt. Voor de handel zijn alle binnengrenzen tussen lidstaten van de EU vervallen. Daardoor is er vrij verkeer van: goederen en diensten, personen en kapitaal.

c)

Een product wordt geproduceerd en geëxporteerd door het land dat dit het beste en goedkoopste kan.

d)

Goederen worden eerst ingevoerd en na een korte bewerking meteen doorverkocht aan het buiteland.

7.

Wat is het EMU?

a)

Europese Monetaire Unie. Alle landen binnen Europa met een gezamenlijke taal.

b)

Europese Monetaire Unie. Aantal landen binnen de Europese Unie met een soorgelijke regering en wetten.

c)

Europese Monetaire Unie. Aantal landen binnen de Europese Unie met een gezamenlijke doel.

d)

Europese Monetaire Unie. Aantal landen binnen de Europese Unie met een gezamenlijke munteenheid, de euro.

8.

Wat is een interne markt?

a)

De toenemende vrije wereldhandel als gevolg van het openstellen van grenzen en nieuwe vormen van communicatie en transport.

b)

Gemeenschappelijke markt. Voor de handel zijn alle binnengrenzen tussen lidstaten van de EU vervallen. Daardoor is er vrij verkeer van: goederen en diensten, personen en kapitaal.

c)

De totale invoerwaarde als percentage van het nationaal inkomen.

d)

Goederen worden eerst ingevoerd en na een korte bewerking meteen doorverkocht aan het buiteland.

9.

Wat is contingentering?

a)

Importquota. Er mag een maximumaantal producten worden ingevoerd.

b)

Een land met veel in-en uitvoer in verhouding tot het nationaal inkomen. Het land heeft een hoge import- en exportquote.

c)

Een land met weinig in-en uitvoer in verhouding tot het nationaal inkomen. Het land heeft een lage import- en exportquote.

d)

De toenemende vrije wereldhandel als gevolg van het openstellen van grenzen en nieuwe vormen van communicatie en transport.

10.

Wat is exportsubsidie?

a)

Goederen worden eerst ingevoerd en na een korte bewerking meteen doorverkocht aan het buiteland.

b)

De overheid geeft subsidie aan exporterende bedrijven, waardoor die hun producten goedkoper aan het buiteland kunnen verkopen.

c)

De toenemende vrije wereldhandel als gevolg van het openstellen van grenzen en nieuwe vormen van communicatie en transport.

d)

De mate waarin een land in staat is om beter en/of goedkoper te produceren dan andere landen.

11.

Wat zijn invoerrechten?

a)

Een overzicht van alle betalingen aan het buitenland en alle ontvangsten uit het buiteland.

b)

Goederen worden eerst ingevoerd en na een korte bewerking meteen doorverkocht aan het buiteland.

c)

Importheffingen, douanerechten. Belasting op ingevoerde producten.

d)

Een product wordt geproduceerd en geëxporteerd door het land dat dit het beste en goedkoopste kan.

12.

Wat zijn projectiemaatregelen?

a)

Goederen worden eerst ingevoerd en na een korte bewerking meteen doorverkocht aan het buiteland.

b)

Handelsbelemmeringen, protectionisme. Maatregelen om de productie en werkgelegenheid in het eigen land te beschermen tegen concurrentie uit andere landen.

c)

De totale invoerwaarde als percentage van het nationaal inkomen.

d)

De overheid geeft subsidie aan exporterende bedrijven, waardoor die hun producten goedkoper aan het buiteland kunnen verkopen.

13.

Wat betekent globalisering?

a)

De toenemende vrije wereldhandel als gevolg van het openstellen van grenzen en nieuwe vormen van communicatie en transport.

b)

Gemeenschappelijke markt. Voor de handel zijn alle binnengrenzen tussen lidstaten van de EU vervallen. Daardoor is er vrij verkeer van: goederen en diensten, personen en kapitaal.

c)

De overheid geeft subsidie aan exporterende bedrijven, waardoor die hun producten goedkoper aan het buiteland kunnen verkopen.

d)

Gemeenschappelijke markt. Voor de handel zijn alle binnengrenzen tussen lidstaten van de EU vervallen. Daardoor is er vrij verkeer van: goederen en diensten, personen en kapitaal.

14.

Wat is internationale arbeidsverdeling?

a)

Importheffingen, douanerechten. Belasting op ingevoerde producten.

b)

Een land met veel in-en uitvoer in verhouding tot het nationaal inkomen. Het land heeft een hoge import- en exportquote.

c)

Een land met weinig in- en uitvoer in verhouding tot het nationaal inkomen. Het land heeft een lage import- en exportquote.

d)

Een product wordt geproduceerd en geëxporteerd door het land dat dit het beste en goedkoopste kan.

15.

Wat is internationale concurrentiepositie?

a)

De mate waarin een land in staat is om beter en/of goedkoper te produceren dan andere landen.

b)

Goederen worden eerst ingevoerd en na een korte bewerking meteen doorverkocht aan het buiteland.

c)

Handelsbelemmeringen, protectionisme. Maatregelen om de productie en werkgelegenheid in het eigen land te beschermen tegen concurrentie uit andere landen.

d)

Een product wordt geproduceerd en geëxporteerd door het land dat dit het beste en goedkoopste kan.