Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Leerstof mei 4de leerjaar

Total questions: 45

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.

Wat is 'tarra'?

a)

het omhulsel of de verpakking

b)

de inhoud

c)

de inhoud en de verpakking of omhulsel samen

2.

Wat is 'bruto'?

a)

het totaal: verpakking en inhoud

b)

de verpakking of het omhulsel

c)

de inhoud

3.

Wat is 'netto'?

a)

De verpakking of het omhulsel

b)

De inhoud

c)

Het totaal: de inhoud en de verpakking of omhulsel samen

4.

Hoe bereken je 'netto'?

a)

Bruto - tarra

b)

Tarra + bruto

c)

Tarra - bruto

5.

Hoe bereken je 'bruto'?

a)

Netto - tarra

b)

Tarra + netto

c)

Tarra - netto

6.

Hoe bereken je 'tarra'?

a)

Netto + bruto

b)

Bruto - netto

c)

Netto - bruto

7.

1 kg = ?

a)

100 g

b)

1000 g

c)

10 000 g

8.

0,5 kg = ?

a)

500 g

b)

50 g

c)

1000 g

9.

Een persoon wegen we in ... ?

a)

kg

b)

g

c)

ton

10.

Een banaan weegt ongeveer... ?

a)

150 g

b)

150 kg

c)

1,5 ton

11.

11 x 6 =

a)

55

b)

67

c)

66

d)

65

12.

Hoe bereken ik de omtrek van een vierkant?

a)

z + z + z + z

b)

b x h

c)

z x 4

d)

z x 2 : 4

13.

Hoe kan je zien om iemand liegt?

a)

Hij prult veel aan zijn gezicht en gebruikt veel fantasie

b)

Hij weet veel details

c)

Hij kijkt jou in de ogen

14.

Hoe heet de uitkomst van een vermenigvuldiging?

a)

som

b)

quotiënt

c)

product

d)

verschil

15.

Hoe heet de uitkomst van een optelling?

a)

product

b)

quotiënt

c)

verschil

d)

som

16.

Hoe heet de uitkomst van een aftrekking?

a)

verschil

b)

product

c)

som

d)

quotiënt

17.

Wat is 'fictie'?

a)

verzonnen verhaal

b)

echt gebeurd

18.

Wat is 'non-fictie'?

a)

verzonnen verhaal

b)

echt gebeurd

19.

5 x 3 = 15.

Hoe noem je de '3' in deze bewerking?

a)

het product

b)

het vermenigvuldigtal

c)

de vermenigvuldiger

20.

Hoe heet het wanneer een inspecteur de dader vragen stelt om de waarheid te achterhalen?

a)

een verhoor

b)

een gesprek

c)

een koffieklets

d)

een interview

21.

Een verhaal bestaat uit drie delen: inleiding, ... en slot

a)

midden

b)

artikel

c)

titel

22.

Wat is de 'inleiding'?

a)

Het is de kern van het verhaal, hierin krijg je alle informatie.

b)

Het is het begin van het vertaal, het verklapt waarover het zal gaan.

c)

Het is het slot, hierin wordt het verhaal nog eens samengevat.

23.

Wie is deze man?

a)

Prins Filip

b)

Koning Filip

c)

Koning Albert

d)

Alexander De Croo

24.

Wie is onze eerste minister?

a)

Kanye West

b)

Koning Filip

c)

Alexander De Croo

d)

Juf Linda

25.

Wat wil prediken zeggen?

a)

vertellen over het geloof

b)

betalen

c)

prenten bekijken

26.

Geef een synoniem voor 'koud'?

a)

fris

b)

warm

27.

Geef een tegenstelling van 'oud'

(a)  

28.

Geef het tegengestelde van 'antiek'

(a)  

29.

2, 47 + ... = 3

(a)  

30.

Het product van 7 en 3 is

(a)  

31.

Keek je al eens naar Karrewiet? Waar is het momenteel oorlog?

a)

Tussen Israël en Palestina

b)

Tussen Nederland en België

c)

Tussen de V.S. en Mexico

32.

Wat waren de laatste versoepelingen die de regering toeliet in verband met corona?

a)

We mogen weer zonder mondmasker naar de winkel

b)

De terrassen zijn weer open van cafés en restaurants en dit tot 22u

c)

We mogen weer over op reis

33.

30 is het dubbel van ...

a)

15

b)

60

c)

10

34.

Wat betekent 'hoffelijk' zijn?

a)

zorg dragen voor anderen, beleefd zijn

b)

werken in de tuin

c)

iets met je hoofd doen

35.

Met welk leesteken eindigt een bevel?

a)

punt

b)

vraagteken

c)

uitroepteken

d)

komma

36.

Met welk leesteken eindigt een mededeling?

a)

punt

b)

vraagteken

c)

uitroepteken

37.

Met welk leesteken eindigt een uitroep?

a)

punt

b)

vraagteken

c)

uitroepteken

38.

Welk soort zin is dit?

'Ruim je kamer op!'

a)

bevel

b)

vraag

c)

mededeling

d)

uitroep

39.

Het is een houten bank.

Welke woordsoort is 'houten'?

a)

zelfstandig naamwoord

b)

stoffelijk bijvoeglijk naamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

40.

Vervoeg de persoonsvorm:

Onze juf (drinken) een wijntje.

(a)  

41.

Vervoeg de juiste persoonsvorm.

Ismaël (zijn) klaar met zijn rekenoefeningen.

a)

is

b)

zijn

c)

wees

d)

ben

42.

Zet 1/4 in een kommagetal

a)

0,20

b)

0,40

c)

0,25

d)

0,75

43.

Zet dit kommagetal in een breuk: 0,5.

a)

1/2

b)

2/10

c)

5/5

44.

32 is het viervoud van ...

a)

4

b)

7

c)

8

d)

6

45.

Hoe oud is juf Sara?

a)

24

b)

30

c)

41

d)

18