Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Basis 3 Economie Hoofdstuk 1 Begrippen

Total questions: 19

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Wat zijn Basisbehoeften?

a)

Bepalen welke behoeften voor jou het belangrijkste zijn.

b)

Behoefte aan luxegoederen. Ze maken het leven aangenamer.

c)

De behoefte aan voeding, kleding, woonruimte, gezondheidszorg en onderwijs.

d)

Zelf producten maken waarmee je voorziet in je behoeften.

2.

Wat zijn middelen?

a)

De gewone, dagelijkse uitgaven voor bijvoorbeeld voeding, zakgeld, persoonlijke verzorging en cadeautjes.

b)

Het opzijzetten (sparen) van geld om hier later grote of onverwachte uitgaven mee te betalen.

c)

Het ruilen van producten zonder gebruik te maken van geld.

d)

Met geld en tijd kun je in je behoeften voorzien. Geld en tijd zijn middelen.

3.

wat zijn Overige behoeften?

a)

Behoefte aan luxegoederen. Ze maken het leven aangenamer.

b)

De behoefte aan voeding, kleding, woonruimte, gezondheidszorg en onderwijs.

c)

Zelf producten maken waarmee je voorziet in je behoeften.

d)

Bepalen welke behoeften voor jou het belangrijkste zijn.

4.

Wat betekent: prioteiten stellen?

a)

De behoefte aan voeding, kleding, woonruimte, gezondheidszorg en onderwijs.

b)

Bepalen welke behoeften voor jou het belangrijkste zijn.

c)

Een groep consumenten waarvoor het product is bedoeld.

d)

Behoefte aan luxegoederen. Ze maken het leven aangenamer.

5.

Wat betekent Zelfvoorziening?

a)

Met geld en tijd kun je in je behoeften voorzien. Geld en tijd zijn middelen.

b)

Bepalen welke behoeften voor jou het belangrijkste zijn.

c)

Zelf producten maken waarmee je voorziet in je behoeften.

d)

De behoefte aan voeding, kleding, woonruimte, gezondheidszorg en onderwijs.

6.

Commerciële beïnvloeding

a)

Meningen van vrienden en familie hebben invloed op je koopgedrag.

b)

Verkopers, reviews of reclame hebben invloed op je koopgedrag.

c)

De hoeveelheid producten die je met je inkomen kunt kopen.

d)

Goederen worden geruild tegen geld.

7.

Commerciële reclame

a)

Reclame met als doel meer producten te verkopen. Er is informatieve reclame en merkreclame.

b)

Reclame over onderwerpen die belangrijk zijn voor de maatschappij. De bedoeling is het bedrag van mensen te veranderen.

c)

Verkopers, reviews of reclame hebben invloed op je koopgedrag.

d)

Aandacht vragen voor een product of boodschap.

8.

Doelgroep

a)

Zelf producten maken waarmee je voorziet in je behoeften.

b)

Collectieve arbeidsovereenkomst waarin afspraken staan over de arbeidsvoorwaarden in een bepaalde groep dezelfde bedrijven.

c)

De macht van de consumenten om invloed uit te oefenen op wat producenten verkopen.

d)

Een groep consumenten waarvoor het product is bedoeld.

9.

Ideële reclame

a)

Reclame over onderwerpen die belangrijk zijn voor de maatschappij. De bedoeling is het bedrag van mensen te veranderen.

b)

Verkopers, reviews of reclame hebben invloed op je koopgedrag.

c)

Reclame met als doel meer producten te verkopen. Er is informatieve reclame en merkreclame.

d)

Aandacht vragen voor een product of boodschap.

10.

Marketing

a)

Reclame met als doel meer producten te verkopen.

b)

De macht van de consumenten om invloed uit te oefenen op wat producenten verkopen.

c)

Alles wat bedrijven doen om meer te verkopen.

d)

Het maken van een begroting, waarbij je de uitgaven afstemt op de inkomsten.

11.

Marketingmix

a)

Alles wat bedrijven doen om meer te verkopen.

b)

De verschillende marketinginstrumenten samen gebruiken.

c)

Een verzameling wetten en regels die consumenten beschermen bij de aankoop van producten.

d)

Werk waarbij je opdrachten moet uitvoeren die je opgedragen krijgt.

12.

reclame

a)

Aandacht vragen voor een product of boodschap.

b)

Verkopers, reviews of reclame hebben invloed op je koopgedrag.

c)

Reclame over onderwerpen die belangrijk zijn voor de maatschappij. De bedoeling is het bedrag van mensen te veranderen.

d)

Reclame met als doel meer producten te verkopen. Er is informatieve reclame en merkreclame.

13.

Sociale beïnvloeding

a)

Het loon dat je ontvangst na inhouding van belasting en sociale premies.

b)

Verkopers, reviews of reclame hebben invloed op je koopgedrag.

c)

Meningen van vrienden en familie hebben invloed op je koopgedrag.

d)

De macht van de consumenten om invloed uit te oefenen op wat producenten verkopen.

14.

Consumer power

a)

Meningen van vrienden en familie hebben invloed op je koopgedrag.

b)

Verkopers, reviews of reclame hebben invloed op je koopgedrag.

c)

De verschillende marketinginstrumenten samen gebruiken.

d)

De macht van de consumenten om invloed uit te oefenen op wat producenten verkopen.

15.

Keurmerken

a)

Deze wet regelt dat de fabrikant aansprakelijk is voor de schade die door een gebrekkig product ontstaat.

b)

Een logo op een product waarmee de fabrikant aangeeft dat het product aan bepaalde eisen voldoet.

c)

Een product dat bij normaal gebruik doet wat het moet doen.

d)

Als er bij productie meer arbeid dat kapitaalgoederen wordt gebruikt.

16.

Vergelijkend warenonderzoek

a)

Een test waarbij dezelfde producten van verschillende merken met elkaar vergeleken worden. Er wordt gelet op bijvoorbeeld prijs, kwaliteit en milieu.

b)

De hoeveelheid producten die je met je inkomen kunt kopen.

c)

De vier sectoren waarin arbeid en productie plaatsvindt. Dit zijn de agrarische sector, de industriële sector en de dienstensector.

d)

Het totaalbedrijf dat een bedrijf uitgeeft aan de inkoop van producten.

17.

Consumentenrecht

a)

Wettelijke Aansprakelijkheidsverzekering. Een verzekering die de schade dekt die je met je motorvoertuig aan anderen toebrengt. Deze verzekering is wettelijk verplicht.

b)

Deze wet regelt dat de fabrikant aansprakelijk is voor de schade die door een gebrekkig product ontstaat.

c)

Een verzameling wetten en regels die consumenten beschermen bij de aankoop van producten.

d)

Wet met regels voor veilige en gezonde arbeidsomstandigheden.

18.

Deugdelijk product

a)

Een product dat bij normaal gebruik doet wat het moet doen.

b)

De vier sectoren waarin arbeid en productie plaatsvindt. Dit zijn de agrarische sector, de industriële sector en de dienstensector.

c)

Het maken van producten of het leveren van diensten.

d)

Voordelen voor de maatschappij van meer productie.

19.

Wet productaansprakelijkheid

a)

Een verzameling wetten en regels die consumenten beschermen bij de aankoop van producten.

b)

Wet met regels voor veilige en gezonde arbeidsomstandigheden.

c)

Wet met regels voor werk- en rusttijden.

d)

Deze wet regelt dat de fabrikant aansprakelijk is voor de schade die door een gebrekkig product ontstaat.