wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

12.1 t/m 12.3

Total questions: 20

Worksheet time: 29mins

Name
Class
Date
1.

Wat moet er op het vraagteken komen?

a)

Producent

b)

Reducent

c)

Afvaleter

d)

Consument

2.

Fotosynthese is.............

a)

Het proces van water naar zuurstof

b)

Het proces van koolstofdioxide en water naar glucose en zuurstof

c)

Het proces van glucose en zuurstof naar koolstofdioxide en energie

d)

Het proces van zuurstof naar water

3.

Hoe noemen we de bovenstaande kringloop?

a)

Koolstofkringloop

b)

Zuurstofkringloop

c)

Voedselkringloop

d)

Waterkringloop

4.

Leg uit waarom als ik een hamburger eet ik indirect de energie van een plant eet.

4 lines
5.

Wat is de functie van een producent?

4 lines
6.

Wat voor soort water is een rivier?

a)

Grondwater

b)

Oppervlaktewater

c)

Vervuild water

d)

Atmosferisch water

7.

Als ik waterdamp omzet in vloeibaar water dan noemen we dat

a)

Condenseren

b)

Verdampen

c)

Vervluchtigen

d)

Rijpen

8.

Het smeltpunt van zuurstof is -219 en het kookpunt is -183. In welke fase verkeerd zuurstof bij een temperatuur van -223?

a)

Vloeibaar

b)

Vast

c)

Gas

9.

Hoe bereken je de dichtheid?

a)

massa : volume

b)

Lengte x breedte x massa

c)

Lengte x breedte : massa

d)

volume : massa

10.

De dosis is..........

a)

De hoeveelheid stof die voor 1 totale mens is toegestaan

b)

De concentratie bepaalde stoffen die in drinkwater mogen voorkomen.

c)

Aantal gram van de stof wat per kg lichaamsgewicht is toegestaan.

d)

De concentratie van een bepaalde stof dat 1 volwassene maximaal mag binnen krijgen.

11.

Eutrofiëring wordt veroorzaakt door:

a)

Teveel gewassen

b)

Monocultuur

c)

Overbemesting

d)

Teveel antibiotica in het voedsel van dieren

12.

Wie zien hier een voorbeeld van

a)

Akkerbouw

b)

Veeteelt

c)

Monocultuur

13.

Wat betekend veredeling

a)

Gewassen beschermen tegen vraat door middel van gif

b)

Het gebruik van antibiotica in krachtvoer om dieren sneller te laten groeien

c)

Het verstoren van de voedingskringloop

d)

Het kruisen van gewassen om een gunstiger ras te krijgen

14.

Noem een nadeel van monocultuur.

4 lines
15.

Noem twee voordelen van biologische landbouw

4 lines
16.

Stelling 1: Planten produceren geen CO2 (koolstofdioxide)

Stelling 2: Planten gebruiken zelf geen O2 (zuurstof)

a)

Beide stellingen zijn juist

b)

Stelling 1 is juist, stelling 2 is onjuist

c)

Stelling 1 is onjuist, stelling 2 is juist

d)

Beide stellingen zijn onjuist

17.

Stelling 1: Koolstof komt alleen voor in de vorm CO2 (koolstofdioxide)

Stelling 2: Planten zijn de enige organismen die CO2 kunnen gebruiken om er iets anders van te maken

a)

Beide stellingen zijn juist

b)

Stelling 1 is juist, stelling 2 is onjuist

c)

Stelling 1 is onjuist, stelling 2 is juist

d)

Beide stellingen zijn onjuist

18.

Wat vind je een moeilijk onderwerp van dit hoofdstuk?

4 lines
19.

Hoe worden wolken gevormd?

4 lines
20.

Wat is de correcte fase bij elke letter?

a)

A: vloeibaar B: gas c: vast

b)

A: vast B: vloeibaar C: gas

c)

A: vast B: gas C: vloeibaar

d)

A: Gas B: vloeibaar C: vast