wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Energie

Total questions: 29

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.
aardolie, aardgas en steenkool zijn fossiele brandstoffen.
a)
juist
b)
fout
2.
Andere energiebronnen zoals wind, water en zonne-energie hebben een groter aandeel in de energievoorziening.
a)
juist
b)
fout
3.
fossiele brandstoffen zijn brandstoffen die altijd voorradig zijn.
a)
fout
b)
juist
4.
voor de verwarming van huizen wordt vooral.... gebruikt
a)
aardolie
b)
steenkool
c)
aardgas
5.
energie kan je omzetten van de ene vorm in de andere. bij een elektriciteitscentrale wordt...
a)
warmte energie omgezet in elektrische energie
b)
elektrische energie omgezet in lichtenergie
c)
chemische energie omgezet in elektrische energie
6.
bij de omzetting van energie in een elektriciteitscentrale wordt een deel van de energie ook omgezet in niet nuttige energie...
a)
lichtenergie
b)
bewegingsenergie
c)
warmte energie
7.
40 kJ komt overeen met
a)
4000 J
b)
40000 J
c)
400 J
8.
bij een windturbine wordt
a)
windenergie omgezet in elektrische energie
b)
bewegingsenergie omgezet in warmte energie
c)
bewegingsenergie omgezet in elektrische energie
d)
windenergie omgezet in warmte energie
9.
bij een zonnecel wordt
a)
stralingsenergie omgezet in elektrische energie
b)
warmte energie omgezet in elektrische energie
c)
gebeurt fotosynthese
10.
een zonnecollecter zet
a)
warmte energie om in elektrische energie
b)
stralingsenergie om in warmte energie
11.
een zonnepaneel zet
a)
warmte energie om in elektrische energie
b)
stralingsenergie om in elektrische energie
12.
zonnepanelen geven een rendement van 17%. Wat wil dit zeggen?
a)
dat er 83% nuttige energie wordt geproduceerd
b)
dat er 83% niet nuttige energie wordt geproduceerd
13.
Kinetische energie bereken je met:
a)
Ek= F*s
b)
Ek= m*v
c)
Ek= 0,5m*v
d)
Ek= 0,5m*v2
14.

Welke vorm van energie is --> een energiereep?

a)

Thermische energie

b)

Chemische energie

c)

Kernenergie

d)

Bewegingsenergie

15.

De chemische reactie van verbranding kun je schematisch weergeven door:

a)

brandstof + zuurstof --> koolstofdioxide + water.

b)

zuurstof + water --> koolstofdioxide + brandstof.

c)

brandstof + koolstofdioxide --> water + zuurstof.

d)

koolstofdioxide + water -->brandstof + zuurstof.

16.

Welke omzetting vindt er plaats in een batterij?

a)

Chemische energie wordt omgezet in bewegingsenergie en warmte.

b)

Chemische energie wordt omgezet in elektrische energie en warmte.

c)

Elektrische energie wordt omgezet in bewegingsenergie en warmte

d)

Elektrische energie wordt omgezet in chemische energie en warmte

17.

Wat zijn de twee belangrijkste brandstoffen in de voeding van de mens?

a)

Koolhydraten en vetten

b)

Eiwitten en vetten.

c)

Vetten en water.

d)

Koolhydraten en eiwitten.

18.

Waar vindt de verbranding van glucose plaats in je lichaam?

a)

In de longen.

b)

In het bloed.

c)

In alle lichaamscellen.

d)

In het hart.

19.

Een grote kat van 5 kg spring van een hoogte van 3 meter uit een boom. Hoeveel Joule is de zwaarte-energie wanneer de kat nog in de boom zit?

4 lines
20.

Energie is:

a)

Elektriciteit

b)

Het vermogen om arbeid te verrichten

c)

Nodig om apparaten te laten werken

d)

Het vermogen om iets te laten bewegen

21.

Hier staan twee eigenschappen:

1 Kan energie leveren.

2 Kan duurzaam zijn.

Welk van de volgende begrippen past het beste bij deze eigenschappen?

a)

Energieverbruiker.

b)

Energie.

c)

Energiebron

d)

Voedsel.

22.

Hoeveel zwaarte-energie heeft een squashbal van 24 g, die op een hoogte van 1,2 m boven de vloer van squashbaan wordt gehouden?

a)

0,28 J.

b)

28 J.

c)

2,8 kWh

d)

282 kWh.

23.

Welke reeks energieomzettingen past het beste bij de volgende situatie? Een squashbal vliegt in een horizontale rechte baan tegen een muur en komt daarna in dezelfde baan weer terug.

a)

Kinetische energie → kinetische energie

b)

Potentiële energie → kinetische energie.

c)

Kinetische energie → potentiële energie (veerenergie) → kinetische energie.

d)

Kinetische energie → potentiële energie (zwaarte-energie) → kinetische energie

24.

Verbranding in je lichaam vindt alleen overdag plaats.

a)

Juist

b)

Onjuist

25.

Energiebehoefte is afhankelijk van het geslacht

a)

Juist

b)

Onjuist

26.

Energiebehoefte is afhankelijk van de leeftijd

a)

Juist

b)

Onjuist

27.

Welke stelling is correct?

Stelling 1: Je lichaam heeft de meeste energie nodig voor het onderhoud van je lichaam.

Stelling 2:Je lichaam heeft de meeste energie nodig voor arbeid

a)

stelling 1

b)

stelling 2

28.

Welke voedingsstof bevat de meeste energie?

a)

Eiwit

b)

Water

c)

Vet

d)

Koolhydraten

29.

Door een wasdroger voor 230 V loopt een stroom van 8 A. Hoe groot is het vermogen van die wasdroger?

a)

0,035 W.

b)

1,84 W.

c)

28,75 W.

d)

1840 W.