wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Big bang

Total questions: 77

Worksheet time: 54mins

Name
Class
Date
1.

Wat is evolutie?

a)

De ontwikkeling van alles op aarde

b)

De ontwikkeling van het leven op aarde waarbij soorten ontstaan, veranderen of verdwijnen

c)

De ontwikkeling van de levenloze natuur op aarde

d)

De ontwikkeling van de mens

2.

Wat ontwikkelde Charles Darwin?

a)

Evolutie

b)

Theorie over de ontwikkeling van de mens

c)

Evolutie theorie

d)

Natuurlijke selectie

3.

Waarom hebben niet alle dieren een even grote overlevingskans?

a)

omdat ze te opvallend zijn of een zwakke gezondheid hebben

b)

omdat ze gewoon niet lang te leven hebben

c)

omdat dieren opgegeten worden

d)

omdat charles darwin dat zegt

4.

Welke dieren hebben wel een grote overlevingskans?

a)

Dieren met een zwakke gezondheid

b)

Dieren die veel opvallen

c)

Dieren die goed zijn aangepast

5.

Welke wetenschapper formuleerde de meest ondersteunde evolutietheorie?

a)

Lamarck

b)

Darwin

c)

Linnaeus

d)

Einstein

6.
Hoe noemen we het verschijnsel dat individuen met een betere aanpassing aan het milieu een grotere overlevingskans hebben?
a)
evolutie
b)
natuurlijke selectie
7.
Twee voorbeelden van ontwikkeling zijn:
1. de ontwikkeling van reptielen tot vogels;
2. de ontwikkeling van lam tot schaap.
Welke van deze ontwikkelingen is of zijn een voorbeeld van evolutie?
a)
alleen ontwikkeling 1
b)
alleen ontwikkeling 2
c)
de ontwikkelingen 1 en 2
8.
Kijk naar de afbeelding. Je ziet een foto van een skelet van een zee-egel en een foto van een versteende afdruk van een zee-egel.
Welke van de twee foto's toont een fossiel?
a)
linker afbeelding
b)
rechter afbeelding
9.

Bekijk de afbeelding. Dit is een voorbeeld van

a)

natuurlijke selectie

b)

kunstmatige selectie

c)

natuurlijke én kunstmatige selectie

10.

Waardoor kunnen nieuwe soorten ontstaan?

a)

Door fokken

b)

Door isolatie van groepen

c)

Door opsluiten van groepen

d)

Door evolutie

11.

Een groep dieren is gesplitst van elkaar door een rivier. Na verloop van tijd veranderen de beide groepen dieren. Hoe kun je zien dat ze beide zijn veranderd in verschillende soorten?

a)

Ze lijken niet meer op elkaar

b)

Ze kunnen niet meer bij elkaar komen

c)

Ze leven in andere gebieden

d)

Ze kunnen niet meer onderling voortplanten

12.
Het leven op het land was er eerder dan het leven in het water.
a)
Waar
b)
Niet waar
13.

Waarom zijn fossielen een belangrijk argument voor de evolutietheorie?

a)

Door fossielen kunnen we aantonen dat door de loop van de tijd soorten zijn ontstaan, verdwenen en veranderd.

b)

Door fossielen weten we de afstamming van alle soorten

c)

Uit fossielen kan DNA worden gehaald. Dit DNA geeft aan dat door de loop van de tijd soorten zijn ontstaan, verdwenen en veranderd.

d)

Fossielen geven te weinig informatie over de evolutie van soorten en het is een te zwak argument voor de evolutietheorie.

14.

Wanneer ontstond het leven op aarde?

a)

4 miljard jaar geleden

b)

4,6 miljard jaar geleden

c)

5 miljard jaar geleden

d)

5.6 miljard jaar geleden

15.

Wat was de eerste eenvoudige levensvorm die ontstond?

a)

Bactierien

b)

Schimmels

c)

Dieren

d)

Planten

16.

Op welke volgorde ontstond het leven op het land?

a)

Landdieren, vissen, mossen

b)

Mossen, landdieren, vissen

c)

Mossen, Vissen, landdieren

d)

Vissen, mossen, landdieren

17.

Wanneer verschenen de eerste mensachtigen?

a)

2 miljoen jaar geleden

b)

3 miljoen jaar geleden

c)

4 miljoen jaar geleden

d)

5 miljoen jaar geleden

18.

Wat is een fossiel?

a)

Versteende resten van bacterien en schimmels

b)

Versteende resten van planten en dieren

c)

Overblijfselen van dieren

d)

Overblijfselen van uitwerpselen

19.

Kies twee antwoorden. Waaruit bestaan fossielen meestal?

a)

A afdrukken

b)

B versteende resten

c)

C botten

d)

D stukken huid

20.

Hoe noemen we een levend wezen?

a)

Orgasme

b)

Organisme

c)

Orgaan

d)

Organisatie

21.

Welke kenmerken hebben de cellen van bactieren?

a)

celwand

b)

celkern

c)

bladgroenkorrels

22.

Welke kenmerken hebben de dierlijke cellen?

a)

celwand

b)

celkern

c)

bladgroenkorrels

23.

Welke eigenschappen hebben plantencellen?

a)

celwand

b)

celkern

c)

bladgroenkorrels

24.

Welke eigenschappen hebben schimmelcellen?

a)

celwand

b)

celkern

c)

bladgroenkorrels

25.

Hoe noemen we de buitenste laag rondom de cel die de onderdelen binnen de cel bij elkaar houdt en zorgt voor stevigheid?

a)

celwand

b)

celkern

c)

bladgroenkorrels

26.

Wat is de taak van de celkern?

a)

De cel bij elkaar houden

b)

Zorgen dat de cel in leven blijft

c)

Regelt alles wat er in de cel gebeurt

d)

Weet waarvoor de cel is

27.

Welke cel heeft als enige bladgroenkorrels?

a)

Bacteriecel

b)

Dierlijke cel

c)

Plantaardige cel

d)

Schimmelcel

28.

Waarvoor dienen bladgroenkorrels?

a)

Groene kleur van de plant

b)

Zorgen voor aanmaak zuurstof

c)

Zorgen voor aanmaak glucose

d)

Zorgen voor het opnemen van water

29.

Wat is geen levenskenmerk?

a)

Voortplanten

b)

Groeien

c)

dood gaan

d)

Ontwikkelen

e)

Reageren op prikkels

30.

Door welk deel van de microscoop kun je kijken?

a)

Statief

b)

Oculair

c)

Tubus

d)

Revolver

31.

Wat is een ander woord voor lens?

a)

Oculair

b)

Tubus

c)

Objectief

d)

Revolver

32.

Met de kleine schroef kun je precies scherpstellen.

a)

Ja

b)

Nee

33.

Het preparaat zet je vast met klemmen.

a)

JA

b)

NEE

34.

Met een microscoop kan je cellen bekijken.

a)

JA

b)

NEE

35.

Een preparaat bestaat uit een dik en een dun glaasje. Hiertussen ligt wat je wilt bekijken.

a)

JA

b)

NEE

36.

Zet de stappen in de juiste volgorde:

A. Draai aan de grote schroef terwijl je langs de zijkant kijkt naar de voorwerptafel.

B. Zet het lampje aan van de microscoop.

C. Stel het beeld scherp met de kleine schroef.

D. Leg het voorwerp (preparaat) op de voorwerptafel en gebruik de voorwerpklemmetjes om het voorwerp vast te zetten.

E. Kijk door je oculair en draai aan je grote schroef tot dat je een beeld krijgt.

(schrijf je antwoord op door de letters A tot en met E in je juiste volgorde te zetten, bijvoorbeeld E D C B A)

(a)  

37.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Object
b)
Oculair
c)
Diafragma
d)
Statief
38.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Object
b)
Tubus
c)
Diafragma
d)
Voet
39.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
tubus
b)
Lamp
c)
Preparaatklem
d)
Statief
40.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Fijne stelknop
b)
tafel
c)
Grove stelsknop
d)
revolver
41.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Fijne stelknop
b)
lichtknopje
c)
Grove stelsknop
d)
revolver
42.

Hoe heet het onderdeel op de plek van het vraagteken

a)

Fijne stelknop

b)

lichtknopje

c)

Grove stelsknop

d)

Diafragma

43.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Revolver
b)
Lamp
c)
Oculair
d)
Tubus
44.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Revolver
b)
Objectief
c)
Oculair
d)
Tafel
45.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Diafragma
b)
Objectief
c)
Preparaatklem
d)
lamp
46.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Tafel
b)
Objectief
c)
Preparaatklem
d)
lamp
47.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Tubus
b)
Voet
c)
Diafragma
d)
Revolver
48.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Fijne stelknop
b)
Voet
c)
Diafragma
d)
Statief
49.

Hoe heet het bestuderen van relaties tussen organismen en hun milieu?

a)

Ecologie

b)

Ethologie

c)

Ethiek

d)

Ecosysteem

50.

Ecologie kun je bestuderen op verschillende niveaus. In welk rijtje staan de niveaus op de juiste manier van klein naar groot?

a)

Individu - levensgemeenschap - populatie - ecosysteem

b)

Individu - populatie - ecosysteem - levensgemeenschap

c)

Individu - populatie - levensgemeenschap - ecosysteem

d)

Populatie - individu - levensgemeenschap - ecosysteem

51.

Wat is een biotische factor?

a)

invloeden van andere organismen

b)

invloeden afkomstig uit levenloze natuur

52.

Wat is een abiotische factor?

a)

Invloed afkomstig van andere organismen

b)

Invloed afkomstig uit de levenloze natuur

53.

De onderstaande factoren bepalen hoeveel muizen in een gebied kunnen voorkomen. Welke van deze factoren zijn abiotische factoren?

a)

Hoeveelheid regen er jaarlijks in een gebied valt

b)

De boomsoorten die in het gebied voorkomen

c)

Hoeveel roofvogels er in het gebied voorkomen

d)

Hoeveel parasieten er in het gebied voorkomen

54.

De temperatuur in een gebied en de hoeveelheid zonlicht die in een gebied schijnt zijn voorbeelden van....

a)

Biotische factoren

b)

Draagkracht

c)

Toleranties

d)

Abiotische factoren

55.

Het aantal individuen van een bepaalde soort die samen leven in een bepaald gebied, noemen we ook wel een...….

a)

ecosysteem

b)

populatie

c)

samenleving

d)

levensgemeenschap

56.
De zon is een biotische factor.
a)
juist
b)
onjuist
57.
In deze afbeelding zie je een:
a)
levensgemeenschap
b)
individu
c)
biotoop
d)
populatie
58.
Hoe noem je alle biotische factoren samen.
a)
ecosysteem
b)
biotoop
c)
levensgemeenschap
d)
niche
59.
Hoe noem je alle biotische en abiotische factoren samen?
a)
ecosysteem
b)
bioom
c)
biotoop
d)
biosfeer
60.

Licht, temperatuur etc. zijn voorbeelden van .......................

a)

biotische factoren

b)

a-biotische factoren

61.

Ecologie is .........

a)

de omgeving waarin organismen voorkomen

b)

de studie van de releaties tussen organismen en hun milieu

c)

het milieu

d)

de invloed van biotische factoren op de omgeving

62.

Welke van de antwoorden hieronder zijn biotische factoren?

Meer antwoorden mogelijk.

a)

predatoren

b)

bodemgesteldheid

c)

voedsel

d)

soortgenoten

63.

Parasieten en ziekteverwekkers zijn voorbeelden van ...........

a)

a-biotische factoren

b)

biotische factoren

64.

Dit is een...

a)

Producent

b)

Consument

c)

Reducent

d)

Opruimer

65.

Dit is een...

a)

Producent

b)

Consument

c)

Reducent

d)

Opruimer

66.

Dit is een...

a)

Producent

b)

Consument

c)

Reducent

d)

Opruimer

67.

Welk synoniem gebruiken we voor de schimmels en bacteriën in de bodem die het afval verwerken?

(a)  

68.

Welk type organismen zorgt voor zijn eigen voedingsstoffen zonder anderen op te eten?

(a)  

69.
Wat is de grootste planeet?
a)
Mars
b)
Venus
c)
Jupiter
d)
aarde
70.
Wat is de kleinste planeet?
a)
Uranus
b)
Pluto
c)
Mercurius
d)
Saturnus
71.
Wat is vanaf de aarde gezien de eerste planeet?
a)
pluto
b)
mars
c)
neptunus
d)
saturnus
72.

Uit hoeveel planeten bestaat ons zonnestelsel?

a)

7

b)

8

c)

9

d)

10

73.

Door welke kracht blijft ons zonnestelsel bij elkaar?

a)

Spierkracht

b)

Zwaartekracht

c)

Mechanische kracht

74.

Wanneer is er voor een planeet een heel jaar voorbij?

a)

Als de planeet een heel rondje om de zon is gedraaid

b)

Als de aarde ook nieuwjaar heeft

c)

als de planeet een keer rond gedraaid is

d)

als de planeet 365 dagen verder is

75.

Hoe wordt de aarde ook wel genoemd?

a)

Groene planeer

b)

Rode planeet

c)

Blauwe planeet

d)

Gele planeet

76.

Door welke planeet ontstaan er natuurverschijnselen op aarde zoals eb en vloed?

a)

Venus

b)

Jupiter

c)

Uranus

d)

Maan

77.

Hoe noemen wij door mensen gemaakte objecten die in een baan om een planeet zweven?

a)

UFO

b)

Sateliet

c)

Meteoriet

d)

Ster