Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling 3PMW

Total questions: 43

Worksheet time: 22mins

Name
Class
Date
1.

We hebben allemaal een binnenkant en een buitenkant. Waarvan is dit een voorbeeld: Fien zit in een hokje en sraart voor zich uit.

a)

Binnenkant

b)

Buitenkant

2.

Welke Oostenrijkse Amerikaan publiceerde 5 communicatieaxioma's?

a)

Erikson

b)

Piaget

c)

Watzlawick

d)

Locke

3.

Over welk axioma gaat het hier: Je bent altijd bezig met beïnvloeden en je wordt altijd beïnvloed.

a)

Communicatie kent inhoud en betrekkingsniveau

b)

De verschillende interpretaties heeft ieder zijn waarheid

c)

Mensen communiceren zowel analoog als digitaal

d)

Je kan onmogelijk niet communiceren.

4.

Communicatie kent een inhoud en een betrekkingsniveau. Waarvan is dit een voorbeeld: Dit gaat over wat er gezegd wordt, over wat er gecommuniceerd wordt. De relatie met de ander wordt buiten beschouwing gehouden.

a)

Inhoudsniveau

b)

Betrekkingsniveau

5.

Waarvan is dit een voorbeeld:

a)

Digitale taal

b)

Analoge taal

6.

Digitale taal kunnen we onderverdelen in verbale en non-verbale communicatie. Waarvan is dit een voorbeeld: De trui van Yoren is zwart.

a)

Verbale communicatie

b)

Non verbale communicatie

7.

communicatie bestaat uit veel meer dan enkel praten. Waar heeft analoge taal geen betrekking op.

a)

lichaamstaal

b)

subverbale taal

c)

de manier waarop we onszelf presenteren

d)

transverbale taal

8.

Is dit een voorbeeld van een symmetrische of complementaire relatie: De relatie tussen dokter en patiënt.

a)

Complementair

b)

Symmetrisch

9.

Van welk axioma is dit een voorbeeld:

Tamara vraagt aan Ken: 'zin om gezellig een kopje koffie te halen?' Ken antwoordt krekelig 'Haal zelf je koffie!'.

a)

Mensen communiceren zowel digitaal als analoog

b)

Communicatie kent en inhoud en betrekkingsniveau.

c)

Je kan onmogelijk niet communiceren.

d)

Communicatie tussen mensen is symmetrisch of complementair

10.

Waarvan is dit een voorbeeld: Maya belt Aurelie op: zullen we zaterdag naar de film gaan? Leuk! vind Aurelie

a)

Door verschillen in interpretatie heeft ieder zijn waarheid

b)

Communicatie tussen mensen is symmetrisch of complementair

c)

Mensen communiceren zowel analoog als digitaal

d)

Je kan onmogelijk niet communiceren.

11.

Een emotie kan pas ontstaan wanneer er een uitlokkende prikkel is. Hoe noemt men dit nog?

a)

Impressie

b)

Expressie

c)

Uitdrukking

12.

Een indruk/impressie kan aanleiding geven tot onder andere psychologische reacties. Welke zijn deze?

a)

Zweten en kippevel

b)

denkprocessen en gevoelsprocessen

c)

hartkloppingen

d)

blozen

13.

Waarvan is dit een voorbeeld: nadat je een spin zag REN JE ZO SNEL WEG ALS JE KAN.

a)

emotie

b)

indruk

c)

lichamelijke reactie

d)

expressie

14.

Geef een ander woord voor uitdrukking/expressie

a)

mentale component

b)

gedragsmatig component

c)

fysiologisch component

15.

Welk onderdeel van het zenuwstelsel bestaat uit zenuwen die signalen doorgeven aan de skeletspieren?

a)

Somatisch zenuwstelsel

b)

Autonoom zenuwstelsel

16.

Sommige gedragingen doet iedereen op dezelfde manier, ongeacht leeftijd of cultuur. Over welk soort gedrag gaat het hier dan?

a)

Erfelijk bepaald gedrag

b)

Aangeleerd gedrag

17.

geef aan over welk component van emotie het in volgend voorbeeld gaat: Jef is verliefd op Juliette

a)

Fysiologisch

b)

Mentaal

c)

Gedrag

18.

En bij deze: de leerkracht roept luid en kordaat mijn naam.

a)

Fysiologisch

b)

Mentaal

c)

Gedrag

19.

Emoties hebben 3 functies. Over welke functie gaat het hier: Milo maakt een opmerking tegen zijn vriend Yoren over Kelly. Yoren begint te blozen en zegt 'ik ben helemaal niet verliefd op Kelly.

a)

Waarschuwingsfunctie

b)

Aanpassingsfunctie

c)

Communicatieve functie

20.

En bij deze:

Sofia luistert naar het verhaal van Jill. Wanneer Sofia zachtjes begint te huilen, geeft Jill haar en knuffel.

a)

Waarschuwingsfunctie

b)

Aanpassingsfunctie

c)

Communicatieve functie

21.

Vul aan: ... is het gevolg van groei- rijpings- en leerprocessen.

a)

Mentale processen

b)

Communicatie

c)

Ontwikkeling

d)

Egocentrisme

22.

Waarover gaat het in dit voorbeeld: Matthias (20) is de laatste 2 jaar enorm veranderd. Zijn schouders zijn breder geworden en zijn spiermassa nam spectaculair toe.

a)

Groeien

b)

Rijpen

c)

Leren

23.

En bij deze:

Na het taalkamp nam Matthieu vlot het woord in de Franse les.

a)

Groeien

b)

Leren

c)

Rijpen

24.

Bij welke levensperiode past volgende ontwikkelingstaak.

a)

Baby-peuter

b)

lagerschoolkind

c)

adolescentie

25.

En deze:

Het leren van een geslachtsverschil

a)

Baby-peuter

b)

Lagerschoolkind

c)

Adolescentie

26.

We hebben 3 ontwikkelingsgebieden gezien. Waarover gaat dit: spelontwikkeling

a)

lichamelijke ontwikkeling

b)

psychische ontwikkeling

c)

sociale ontwikkeling

27.

En deze: motorische ontwikkeling

a)

Lichamelijke ontwikkeling

b)

Psychische ontwikkeling

c)

Sociale ontwikkeling

28.

Waarvan is de borstontwikkeling een voorbeeld?

a)

Primair geslachtskenmerk

b)

Secundair geslachtskenmerk

29.

En dit: de spierontwikkeling

a)

Primair geslachtskenmerk

b)

Secundair geslachtskenmerk

30.

Fietsen is een voorbeeld van ... motoriek

a)

fijne

b)

grove

31.

geef een ander woord voor de Moro-reflex

a)

grijpreflex

b)

zoekreflex

c)

schrikreflex

d)

Babinski reflex

32.

De .... is het proces van het verwerven, verwerken, opslaan en vervolgens toepassen van kennis.

a)

Psychische ontwikkeling

b)

Cognitieve ontwikkeling

c)

Sociale ontwikkeling

d)

Lichamelijke onwikkeling

33.

Jean Piaget, de Zwitserse psycholoog formuleerde 4 stadia in de denkontwikkeling welke past niet in het rijtje thuis.

a)

Sensomotoisch stadium

b)

Senso-operationeel stadium

c)

Pre-operationeel stadium

d)

Concreet operationeel stadium

e)

Formeel operationeel stadium

34.

Waarover hebben we het in volgend voorbeeld:

Terry prikt in zijn vinger.... hij is bang dat hij nu volledig leeg zal lopen

a)

centratie

b)

magisch denken

c)

egocentrisme

d)

centratie

35.

In welke fase van de taalontwikkeling zit een kind die het volgende kan zeggen: 'Wat is dit? '

a)

Prelinguale taal

b)

Vroeglinguale taal

c)

Differentiatiefase

d)

Voltooiingsfase

36.

.... is de emotionele en wederkerige band tussen een ouder (of verzorger) en een kind. De band zorgt voor veiligheid en vertrouwen.

a)

persoonspermanentie

b)

gehechtheid

c)

objectpermanentie

d)

responsiviteit

37.

In de derde fase heeft de baby een duidelijke voorkeur voor één persoon. Dit kan leiden tot 2 soorten angsten. Welke?

a)

scheidingsangst en vreemdenangst

b)

scheidingsangst en agorafobie

c)

vreemdenangst en pleinvrees

d)

vreemdenangst en agorafobie

38.

Geef een ander woord voor peuterpuberteit

a)

de hel

b)

koppigheidsfase

c)

trail and error fase

d)

imitatie fase

39.

Wat is 'symbolisch spel'

a)

Is een vorm van constructiespel

b)

peuters spelen samen op een speelmat maar alleen

c)

daarbij doen kleuters alsof voorwerpen iets anders zijn

d)

samen spelen, enkel wanneer en symbolische volwassene in de buurt is.

40.

De psychosociale ontwikkeling kent volgens Erik erikson steeds 2 polen, een negatieve en een positieve pool. Er is en voortdurende spanning tussen deze polen, waarvoor zorgt dit bij de persoon?

a)

intern conflict

b)

decorumverlies

c)

apraxie

d)

objectpermanentie

41.

Wat is de negatieve pool tijdens de peuterfase?

a)

minderwaardigheid

b)

schuld

c)

schaamte en twijfel

d)

wantrouwen

42.

Behoeftenpiramide van Maslow. Waarvan is dit een voorbeeld:

Bianca zocht vliegensvlug een schuilplaats voor het onweer op pukkelpop.

a)

Behoefte aan affecie

b)

Behoefte aan zelfverwezenlijking

c)

Behoefte aan achting en waardering

d)

Behoefte aan veiligheid en zekerheid.

43.

Gaat het hier over een formele of een informele norm: Als je door het rood bent gereden moet je en boete betalen.

a)

Informeel

b)

Formeel