wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

K1 Eindtoets quiz

Total questions: 30

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.

Welkom bij deze quiz.

Er zijn meerkeuzevragen en open vragen.

Bij de open vragen moet je een antwoord intypen. Doe dit juist, anders wordt het antwoord helaas fout gerekend.

Ben je er klaar voor?

a)

ja

b)

nee, maar kom maar op

2.

Wat is de persoonsvorm (pv) uit de onderstaande zin:


Rob heeft goed voor de toets geleerd.

(a)  

3.

Wat is het onderwerp (ow) uit de onderstaande zin:


Rob heeft goed voor de toets geleerd.

(a)  

4.

Wat is het gezegde (gez) uit de onderstaande zin:


Rob heeft goed voor de toets geleerd.

(a)  

5.

Wat is de persoonsvorm (pv) uit de onderstaande zin:


We gaan volgende week naar de Efteling.

(a)  

6.

Wat is het onderwerp (ow) uit de onderstaande zin:


We gaan volgende week naar de Efteling.

(a)  

7.

Wat is het gezegde (gez) uit de onderstaande zin:


We gaan volgende week naar de Efteling.

(a)  

8.

Waar staan drie bijvoeglijke naamwoorden? Bij A, B, C of D?

a)

A: leuk, gevaar, mooi

b)

B: groot, vies, rommel

c)

C: warm, mooi, houten

d)

D: steen, smal, rood

9.

Wat is het bijvoeglijk naamwoord uit de onderstaande zin:


De taarten van Bakkerij Janssen zijn heerlijk.

a)

taarten

b)

Bakkerij

c)

Janssen

d)

heerlijk

10.

Wat is het bijvoeglijk naamwoord uit de onderstaande zin:


We hebben de antieke tafel van oma helemaal gerestaureerd.

a)

antieke

b)

tafel

c)

oma

d)

helemaal

11.

Noteer het voorzetsel dat in de zin staat:


Ik ga op mijn verjaardag nooit meer zoveel snoep eten.

(a)  

12.

Welk voorzetsel moet op de ... staan?


De politie zocht uren ... de vermiste peuter.

a)

op

b)

naar

c)

achter

d)

met

13.

Welk voorzetsel moet op de ... staan?


De docent is helaas nooit ... de waarheid gekomen.

a)

aan

b)

naar

c)

achter

d)

tot

14.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord uit de onderstaande zin?


Door de nieuwe regels moesten veel reizigers hun geboekte vakantie annuleren.

a)

werkwoord (ww)

b)

lidwoord (lw)

c)

zelfstandig naamwoord (zn)

d)

bijvoeglijk naamwoord (bn)

e)

voorzetsel (vz)

15.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord uit de onderstaande zin?


Door de nieuwe regels moesten veel reizigers hun geboekte vakantie annuleren.

a)

werkwoord (ww)

b)

lidwoord (lw)

c)

zelfstandig naamwoord (zn)

d)

bijvoeglijk naamwoord (bn)

e)

voorzetsel (vz)

16.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord uit de onderstaande zin?


Door de nieuwe regels moesten veel reizigers hun geboekte vakantie annuleren.

a)

werkwoord (ww)

b)

lidwoord (lw)

c)

zelfstandig naamwoord (zn)

d)

bijvoeglijk naamwoord (bn)

e)

voorzetsel (vz)

17.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord uit de onderstaande zin?


Door de nieuwe regels moesten veel reizigers hun geboekte vakantie annuleren.

a)

werkwoord (ww)

b)

lidwoord (lw)

c)

zelfstandig naamwoord (zn)

d)

bijvoeglijk naamwoord (bn)

e)

voorzetsel (vz)

18.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord uit de onderstaande zin?


Door de nieuwe regels moesten veel reizigers hun geboekte vakantie annuleren.

a)

werkwoord (ww)

b)

lidwoord (lw)

c)

zelfstandig naamwoord (zn)

d)

bijvoeglijk naamwoord (bn)

e)

voorzetsel (vz)

19.

Welk woord hoort er niet bij als je let op de meervoudsvorm?


band - toets - grap - wijk - bord

a)

band

b)

toets

c)

grap

d)

wijk

e)

bord

20.

Welk woord hoort er niet bij als je let op de meervoudsvorm?


dictee - kangoeroe - notitie - baby - bushalte

a)

dictee

b)

kangoeroe

c)

notitie

d)

baby

e)

bushalte

21.

Welk woord hoort er niet bij als je let op de meervoudsvorm?


aantal - fietstas - verhaal - straf - kip

a)

aantal

b)

fietstas

c)

verhaal

d)

straf

e)

kip

22.

Wat is de juist gespelde werkwoordsvorm op de plaats van A en B in de onderstaande zinnen:


1. Mijn vader heeft gisteren het gazon [ A ].

2. Jan heeft zijn fiets helemaal wit [ B ].

a)

A. gemaait

B. geverft

b)

A. gemaaid

B. geverfd

c)

A. gemaait

B. geverfd

d)

A. gemaaid

B. geverft

23.

Wat is de juist gespelde werkwoordsvorm van 'verdienen' op de plaats van A en B in de onderstaande zinnen:


1. Kees [ A ] een aardig zakcentje bij de Albert Heijn.

2. Hij heeft het afgelopen jaar wel 250 euro [ B ].

a)

A. verdient

B. verdient

b)

A. verdiend

B. verdiend

c)

A. verdient

B. verdiend

d)

A. verdiend

B. verdient

24.

Wat is de juist gespelde verleden tijd in de onderstaande zinnen:


1. De strandwachten [ A ] de badgasten voor de gevaarlijke stroming.

2. Gisteren [ B ] mijn broertje zich als piraat.

a)

A: waarschuwte

B: verkleede

b)

A: waarschuwde

B: verkleedde

c)

A: waarschuwden

B: verklede

d)

A: waarschuwden

B: verkleedde

25.

Wat is de juist gespelde verleden tijd in de onderstaande zinnen:


1. Waarom [ A ] je nou zo tegen je klasgenootje?.

2. Vanwege het voetbal [ B ] de winkel vroeger dan normaal.

a)

A: scheldde

B: sluitte

b)

A: scholde

B: sloten

c)

A: schold

B: sloot

d)

A: scholde

B: sloote

26.

Welke TWEE werkwoordsvorm van zijn, hebben, willen, kunnen en zullen zijn hieronder verkeerd gespeld?

a)

Zijn wij de enigen hier?

b)

Ik had mijn fiets laten staan.

c)

Wilt hij vandaag de directeur spreken?

d)

Jullie konde ons vast niet horen.

e)

Zouden zij zin hebben in een feestje?

27.

Welke TWEE werkwoordsvorm van zijn, hebben, willen, kunnen en zullen zijn hieronder verkeerd gespeld?

a)

Jij bent gelukkig net op tijd.

b)

Hij heb gisteren zijn arm gebroken.

c)

Wilde jullie ook graag meedoen met de quiz?

d)

Kan zij nog winnaar van het toernooi worden?

e)

wij zullen echt beter je best moeten doen.

28.

Vul het juiste verwijswoord in:


Het leuke meisje, . . . daar loopt, zit bij mij in de klas.

(a)  

29.

Vul het juiste verwijswoord in:


Ik heb gisteren heel mooie schoenen gekocht, maar ... zitten niet lekker..

(a)  

30.

Vul het juiste verwijswoord in:


De leerlingen hebben een kluisje. Daar kunnen zij ... spullen bewaren.

(a)