Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Klas 2 Hoofdstuk 5 Burgers & Stoommachines

Total questions: 14

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.
Wat veranderde in de 19e eeuw in het leven van mensen?
a)
Handarbeid werd vervangen voor werk in de agrarische sector.
b)
Veel handel werd vervangen door handarbeid.
c)
Veel handarbeid in Europa werd vervangen door machines. Door de industriële revolutie gingen mensen anders reizen.
2.
Hoe en waardoor nam de productie toe?
a)
Door de toepassing van stoommachines nam de productie van de Britse industrie sterk toe. Groot-Brittanië exporteerde industrieproducten naar de hele wereld. Vanaf 1850 was er ook industrialisatie in andere westerse landen en Japan.
b)
Door de verdeling van handel over het platteland nam de vraag naar internationale producten toe.
3.
Wat veranderde vanaf 1870 in de industrie?
a)
Vanaf 1870 versnelde de industrialisatie. Naast steenkool kwam aardolie op als energiebron. Er ontstonden nieuwe soorten industrie en veel nieuwe producten.
b)
Door de industrialisatie vielen de slechte leef- en werkomstandigheden van arbeiders meer op in de steden. Ze kregen aandacht door verhalen en berichten.
4.
Wat veranderde in de samenleving?
a)
In 1848 kreeg Nederland onder koning Willem II een nieuwe grondwet. Nederlanders kregen nieuwe burgerrechten. Er kwam een parlementair stelsel.
b)
Vanaf 1870 versnelde de industrialisatie. Naast steenkool kwam aardolie op als energiebron. Er ontstonden nieuwe soorten industrie en veel nieuwe producten.
c)
Tijdens de industrialisatie groeide de bevolking en breidden steden zich snel uit. Er ontstond een industriële samenleving, waarin de relatie tussen werkgevers en werknemers onpersoonlijk werd.
5.
Hoe werd Nederland bestuurd vanaf 1815?
a)
Conservatieven waren tegen veranderingen en confessionelen baseerden zich op het christelijk geloof.
b)
Vanaf 1815 was Nederland een constitutionele monarchie net als veel andere Europese landen. Het volk had weinig politieke invloed en het parlement had weinig rechten. Ministers moesten gehoorzamen aan de koning die veel macht had.
6.
Welke invloed hadden de liberalen?
a)
Vanaf 1870 versnelde de industrialisatie. Naast steenkool kwam aardolie op als energiebron. Er ontstonden nieuwe soorten industrie en veel nieuwe producten.
b)
Door volksopstanden gaven vorsten macht aan de liberalen die streefden naar meer vrijheid en politieke invloed van de burgers.
7.
Wat veranderde er door de grondwet?
a)
Conservatieven waren tegen veranderingen en confessionelen baseerden zich op het christelijk geloof.
b)
In 1848 kreeg Nederland onder koning Willem II een nieuwe grondwet. Nederlanders kregen nieuwe burgerrechten. Er kwam een parlementair stelsel.
c)
In 1848 kreeg Nederland onder koning Willem II een nieuwe grondwet. Nederlanders kregen nieuwe burgerrechten. Er kwam een parlementair stelsel.
8.
Hoe werd het kiesrecht uitgebreid?
a)
Door de industrialisatie vielen de slechte leef- en werkomstandigheden van arbeiders meer op in de steden. Ze kregen aandacht door verhalen en berichten.
b)
Vanaf 1870 versnelde de industrialisatie. Naast steenkool kwam aardolie op als energiebron. Er ontstonden nieuwe soorten industrie en veel nieuwe producten.
c)
Tussen 1848 en 1917 werd het mannenkiesrecht in Nederland in stappen uitgebreid. Toen alle vrouwen in 1919 kiesrecht kregen, werd Nederland een parlementaire democratie.
9.
Hoe kregen de leef- en werkomstandigheden van arbeiders meer aandacht?
a)
Door de industrialisatie vielen de slechte leef- en werkomstandigheden van arbeiders meer op in de steden. Ze kregen aandacht door verhalen en berichten.
b)
Door de industrialisatie vielen de slechte leef- en werkomstandigheden van arbeiders meer op in de steden. Ze kregen aandacht door verhalen en berichten.
10.
Wat veranderde door sociale wetten?
a)
Conservatieven waren tegen veranderingen en confessionelen baseerden zich op het christelijk geloof.
b)
Liberalen zorgden voor de eerste sociale wetten. In Nederland verdween de kinderarbeid tussen 1874 en 1901.
11.
Hoe verbeterden arbeiders hun leef- en werkomstandigheden?
a)
Vanaf 1870 versnelde de industrialisatie. Naast steenkool kwam aardolie op als energiebron. Er ontstonden nieuwe soorten industrie en veel nieuwe producten.
b)
Arbeiders kwamen met vakbonden voor zichzelf op. Radicale socialisten wilden met een revolutie een einde maken aan de uitbuiting van de arbeidersklasse door de bourgeoisie. Gematigde socialisten streefden met politieke partijen naar geleidelijke veranderingen.
12.
Hoe en waardoor veranderde de positie van vrouwen?
a)
Door de industrialisatie vielen de slechte leef- en werkomstandigheden van arbeiders meer op in de steden. Ze kregen aandacht door verhalen en berichten.
b)
In 1848 kreeg Nederland onder koning Willem II een nieuwe grondwet. Nederlanders kregen nieuwe burgerrechten. Er kwam een parlementair stelsel.
c)
Vrouwen hadden in de 19e eeuw een achtergestelde positie. Vanaf 1870 voerden feministen met succes actie voor ene meer gelijke behandeling van vrouwen ten opzichte van mannen.
13.
Welke denkrichtingen keerden zich tegen de invloed van de verlichting?
a)
Vanaf 1870 versnelde de industrialisatie. Naast steenkool kwam aardolie op als energiebron. Er ontstonden nieuwe soorten industrie en veel nieuwe producten.
b)
Conservatieven waren tegen veranderingen en confessionelen baseerden zich op het christelijk geloof. Ze keerden zich tegen de invloed van de verlichting en waren de politieke tegenstanders van het liberalisme en socialisme.
14.
Hoe kwamen confessionelen op voor hun belangen?
a)
Protestanten en katholieken wilden dat de overheid niet alleen het openbaar onderwijs betaalde, maar ook het bijzonder onderwijs. In 1901 behaalden confessionelen een meerderheid in de Tweede Kamer. Daardoor betaalde de overheid vanaf 1917 ook de bijzondere scholen.
b)
Conservatieven waren tegen veranderingen en confessionelen baseerden zich op het christelijk geloof.