Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taal Actief 8 - Thema 6, Week 1 en 2 woorden

Total questions: 28

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Bekijken en bespreken wat er gebeurd is of gedaan is, en daar je mening over geven.

a)

evalueren

b)

interpreteren

c)

analyseren

d)

zich iets voor de geest halen

2.

Uitleggen welke betekenis iets heeft.

a)

evalueren

b)

interpreteren

c)

analyseren

d)

zich iets voor de geest halen

3.

Bekijken hoe iets in elkaar zit.

a)

evalueren

b)

interpreteren

c)

analyseren

d)

zich iets voor de geest halen

4.

Je iets herinneren, iets voor je zien.

a)

evalueren

b)

interpreteren

c)

analyseren

d)

zich iets voor de geest halen

5.

Iets goed, leuk of mooi vinden.

a)

bevallen

b)

beïnvloeden

c)

verdunnen

d)

zinspelen

6.

Invloed op iets of iemand uitoefenen.

a)

bevallen

b)

beïnvloeden

c)

verdunnen

d)

zinspelen

7.

Het dunner maken van een vloeistof, meestal door er water bij te doen.

a)

bevallen

b)

beïnvloeden

c)

verdunnen

d)

zinspelen

8.

Iets aanduiden zonder het echt te zeggen.

a)

bevallen

b)

beïnvloeden

c)

verdunnen

d)

zinspelen

9.

Een kleine hoeveelheid.

a)

mondjesmaat

b)

overvloedig

c)

terloops

10.

Heel erg veel.

a)

mondjesmaat

b)

overvloedig

c)

terloops

11.

Je zegt of doet iets tussen andere dingen door, zonder er echt aandacht aan te besteden.

a)

mondjesmaat

b)

overvloedig

c)

terloops

12.

Een goed overdacht plan met verschillende acties om iets aan te prijzen.

a)

de recensent

b)

geloofwaardig

c)

de campagne

13.

Iemand die een recensie schrijft.

a)

de recensent

b)

geloofwaardig

c)

de campagne

14.

Iets waarvan je kunt aannemen dat het waar is.

a)

de recensent

b)

geloofwaardig

c)

de campagne

15.

Iets in het voordeel van iemand doen.

a)

begunstigen

b)

gefascineerd

c)

geobsedeerd

d)

verslaafd

16.

Iets heel erg interessant vinden, je bent geboeid.

a)

begunstigen

b)

gefascineerd

c)

geobsedeerd

d)

verslaafd

17.

Al je aandacht ergens op richten, je kunt nergens anders meer aan denken.

a)

begunstigen

b)

gefascineerd

c)

geobsedeerd

d)

verslaafd

18.

Niet meer zonder kunnen.

a)

begunstigen

b)

gefascineerd

c)

geobsedeerd

d)

verslaafd

19.

Ongunstig voor, in het nadeel van.

a)

ten nadele van

b)

ten gunste van

c)

magnifiek

d)

bruusk

e)

virtueel

20.

In het voordeel van.

a)

ten nadele van

b)

ten gunste van

c)

magnifiek

d)

bruusk

e)

virtueel

21.

Prachtig, heel mooi.

a)

ten nadele van

b)

ten gunste van

c)

magnifiek

d)

bruusk

e)

virtueel

22.

Zo onverwacht dat je ervan schrikt.

a)

ten nadele van

b)

ten gunste van

c)

magnifiek

d)

bruusk

e)

virtueel

23.

Denkbeeldig, niet echt bestaand.

a)

ten nadele van

b)

ten gunste van

c)

magnifiek

d)

bruusk

e)

virtueel

24.

Een lange en beweeglijke arm van een dier.

a)

de tentakel

b)

de meeting

c)

voor hetzelfde geld

d)

dan zwaait er wat

e)

als puntje bij paaltje komt

25.

Een bijeenkomst.

a)

de tentakel

b)

de meeting

c)

voor hetzelfde geld

d)

dan zwaait er wat

e)

als puntje bij paaltje komt

26.

Het had net zo goed anders kunnen gaan.

a)

de tentakel

b)

de meeting

c)

voor hetzelfde geld

d)

dan zwaait er wat

e)

als puntje bij paaltje komt

27.

Je kunt straf verwachten.

a)

de tentakel

b)

de meeting

c)

voor hetzelfde geld

d)

dan zwaait er wat

e)

als puntje bij paaltje komt

28.

Als het er echt op aankomt.

a)

de tentakel

b)

de meeting

c)

voor hetzelfde geld

d)

dan zwaait er wat

e)

als puntje bij paaltje komt