wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Intaco 2021 2.0

Total questions: 127

Worksheet time: 1hrs 4mins

Name
Class
Date
1.

OVT

We (spelen) voetbal gisteren.

(a)  

2.

Ik (klaarmaken) het eten.

a)

ik klaarmaakte het eten.

b)

ik maakte het eten klaar.

c)

ik maakde het eten klaar.

d)

ik klaarmaakde het eten.

3.

Jullie (verhuizen) naar Utrecht

a)

verhuizden

b)

verhuisten

c)

verhuisden

d)

verhuisden

4.

OVT

Ik (chatten) de hele nacht met mijn vriendin.

(a)  

5.

OVT

Je (moeten) altijd studeren toen je kinder was.

(a)  

6.

VTT

Hij (stappen) naar zijn huis

a)

Hij is naar zijn huis gestapt

b)

Hij heeft naar zijn huis gestapt

c)

Hij is naar zijn huis gestappt

d)

Hij heeft naar zijn huis gestapd

7.

VTT

Mijn vader (betalen ) voor het restaurant.


Ecrire la phrase en entier ;)

(a)  

8.

VTT

Hij (ontmoeten) mijn ouders.

a)

Hij heeft mijn ouders ontmoetten

b)

Hij heeft mijn ouders ontgemoet

c)

Hij heeft mijn ouders geontmoet

d)

Hij heeft mijn ouders ontmoet

9.

Hij ………………………… met haar vriendin in de winkel …………………………. . (wandelen)

(a)  

10.

Het ……………………………… gisteren ……………………………… . (gebeuren)

(a)  

11.

Aan het station ……………………………… we een stadsfiets ……………………………… . (huren)

(a)  

12.

De gids (singulier) ……………………………… ons veel over de geschiedenis van Gent ……………………………… . (vertellen)

(a)  

13.

We ……………………………… veel ……………………………… . (leren)

(a)  

14.

Jullie ……………………………… een leuke dag ……………………………… in Gent. (beleven)

(a)  

15.

In Gent Sint-Pieters ……………………………… de trein ……………………………… . (stoppen)

(a)  

16.

Hij ……………………………… veel ……………………………… . (fietsen)

(a)  

17.

De operatie ……………………………… vijf uren ……………………………… . (duren)

(a)  

18.
J'ai fait la vaisselle
a)
Ik heb afgewassen
b)
Ik ben afgewassen
c)
Ik heb geafwast
d)
Ik ben geafwassen
e)
Ik heb geafwassen
19.
J'ai cuit
a)
Ik heb gebakken
b)
Ik ben gebakken
c)
Ik heb gebaken
d)
Ik ben gebaken
e)
Ik ben gebakt
20.
J'ai commencé
a)
Ik ben begonnen
b)
Ik heb begonnen
c)
Ik beb beginnen
d)
Ik heb beginnen
e)
Ik heb begind
21.
J'ai compris
a)
Ik heb begrepen
b)
Ik ben begrepen
c)
Ik heb begrijpt
d)
Ik ben begrijpt
e)
Ik ben begrijpen
22.
J'ai rendu visite
a)
Ik heb bezocht
b)
Ik ben bezocht
c)
Ik heb bezoekt
d)
Ik ben bezoekt
e)
Ik heb bezochten
23.
J'ai mordu
a)
Ik heb gebeten
b)
Ik ben gebeten
c)
Ik heb gebijten
d)
Ik heb gebijt
e)
Ik ben gebeet
24.
Je suis resté
a)
Ik ben gebleven
b)
Ik heb gebleven
c)
Ik ben geblijven
d)
Ik ben geblijft
e)
Ik heb geblijft
25.
J'ai apporté
a)
Ik heb gebracht
b)
Ik ben gebracht
c)
Ik heb gebrengen
d)
Ik heb gebrengd
e)
Ik ben gebrengd
26.
J'ai pensé
a)
Ik heb gedacht
b)
Ik ben gedacht
c)
Ik heb gedenkt
d)
Ik ben gedenken
e)
Ik heb gedachten
27.
J'ai fait
a)
Ik heb gedaan
b)
Ik ben gedaan
c)
Ik heb gedeed
d)
Ik ben gedoen
e)
Ik heb gedoet
28.
J'ai porté
a)
Ik heb gedragen
b)
Ik ben gedragen
c)
Ik heb gedraagd
d)
Ik ben gedraagd
e)
Ik ben gedroegen
29.
J'ai bu
a)
Ik heb gedronken
b)
Ik ben gedronken
c)
Ik heb gedrinkt
d)
Ik ben gedrinkt
e)
Ik heb gedrinken
30.
J'ai mangé
a)
Ik heb gegeten
b)
Ik ben gegeten
c)
Ik heb geeten
d)
Ik ben geeten
e)
Ik heb geeet
31.
Je suis allé
a)
Ik ben gegaan
b)
Ik heb gegaan
c)
Ik ben gedaat
d)
Ik heb gegaat
e)
Ik ben gegaad
32.
J'ai donné
a)
Ik heb gegeven
b)
Ik ben gegeven
c)
Ik heb gegeefd
d)
Ik ben gegeefd
e)
Ik heb gegeeft
33.
J'ai eu
a)
Ik heb gehad
b)
Ik ben gehad
c)
Ik hed geheeft
d)
Ik ben geheefd
e)
Ik heb gehebben
34.
J'ai aidé
a)
Ik heb geholpen
b)
Ik ben geholpen
c)
Ik heb gehelpt
d)
Ik ben gehelpt
e)
Ik ben gehelpen
35.
J'ai aimé
a)
Ik heb gehouden van...
b)
Ik ben gehouden van…
c)
Ik heb gehoud van…
d)
Ik ben gehoud van…
e)
Ik heb gehield van…
36.
J'ai choisi
a)
Ik heb gekozen
b)
Ik ben gekozen
c)
Ik heb gekiest
d)
Ik ben gekiest
e)
Ik ben gekiesd
37.
J'ai regardé
a)
Ik heb gekeken
b)
Ik ben gekeken
c)
Ik heb gekijkt
d)
Ik heb gekijken
e)
Ik ben gekijken
38.
J'ai escaladé
a)
Ik heb geklommen
b)
Ik ben geklommen
c)
Ik heb geklimd
d)
Ik ben gekimd
e)
Ik ben geklimmen
39.
Je suis venu
a)
Ik ben gekomen
b)
Ik heb gekomen
c)
Ik ben gekoomt
d)
Ik ben gekomd
e)
Ik heb gekomt
40.
J'ai acheté
a)
Ik heb gekocht
b)
Ik ben gekocht
c)
Ik heb gekoopt
d)
Ik ben gekoopt
e)
Ik ben gekopen
41.
J'ai reçu
a)
Ik heb gekregen
b)
Ik ben gekregen
c)
Ik heb gekrijgen
d)
Ik heb gekreeg
e)
Ik ben gekreegt
42.
J'ai lu
a)
Ik heb gelezen
b)
Ik ben gelezen
c)
Ik heb geleesd
d)
Ik ben geleesd
e)
Ik ben gelazen
43.
J'ai pris
a)
Ik heb genomen
b)
Ik ben genomen
c)
Ik heb genemen
d)
Ik ben geneemt
e)
Ik heb genamen
44.
J'ai déjeuné
a)
Ik heb ontbeten
b)
Ik ben ontbeten
c)
Ik heb ontgebeten
d)
Ik heb ontgebijten
e)
Ik ben geontbeet
45.
Je me suis levé
a)
Ik ben opgestaan
b)
Ik heb opgestaan
c)
Ik ben geopstaan
d)
Ik heb geopstaat
e)
Ik ben opstaan
46.
J'ai traversé
a)
Ik ben overgestoken
b)
Ik heb overgestoken
c)
Ik heb overstoken
d)
Ik ben oversteekt
e)
Ik ben overtoken
47.

J'ai crié

a)

Ik heb geroepen

b)

Ik ben geroepen

c)

Ik heb geroept

d)

Ik ben geroepd

e)

Ik heb geroopen

48.

J'ai écrit

a)

Ik heb geschreven

b)

Ik ben geschreven

c)

Ik ben geschrijft

d)

Ik ben geschrijfd

e)

Ik heb geschrijven

49.

J'ai dormi

a)

Ik heb geslapen

b)

Ik ben geslapen

c)

Ik heb geslaapt

d)

Ik ben geslaapd

e)

Ik ben gesloepen

50.

J'ai fermé

a)

Ik heb gesloten

b)

Ik ben gesloten

c)

Ik heb gesluit

d)

Ik ben gesluiten

e)

Ik ben gesluitten

51.

J'ai coupé

a)

Ik heb gesneden

b)

Ik ben gesneden

c)

Ik ben gesnijden

d)

Ik heb gesnijdt

e)

Ik ben gesneed

52.

J'ai parlé

a)

Ik heb gesproken

b)

Ik ben gesproken

c)

Ik ben gespreekt

d)

Ik heb gespreken

e)

Ik ben gespreekd

53.

J'ai nagé

a)

Ik heb gezwommen

b)

Ik ben gezwommen

c)

Ik ben gezwemt

d)

Ik heb gezwemd

e)

Ik heb gezwemmen

54.

J'ai chanté

a)

Ik heb gezongen

b)

Ik ben gezongen

c)

Ik heb gezingen

d)

Ik heb gezingd

e)

Ik ben gezingen

55.

Ik (a)   één uur in het bos gewandeld.

56.

We (a)   naar zee geweest.

57.

De directeur (a)   te laat gekomen.

58.

Elien (a)   eergisteren naar Finland gereisd.

59.

Ik (a)   al met de auto van vader gereden !

60.

Steven (a)   een computer gehad.

61.

Karl (a)   naar Zwitserland gegaan.

62.

Ze (a)   in België gebleven.

63.

Eddy (a)   naar het zwembad gefietst.

64.

Waarom (a)   je niet gekomen?

65.

Ik .... met mijn zus gebeld

a)

heb

b)

ben

66.

... er iets gebeurd?

a)

Is

b)

Heb

67.

Zij .... in 2018 naar Intaco gekomen

a)

heeft

b)

is

68.

Hij ... kippensoep gemaakt

a)

heeft

b)

is

69.

Hij ... voor het examen geslaagd

a)

is

b)

heeft

70.

Wanneer ... je met de cursus begonnen?

a)

heb

b)

ben

71.

Bavo .... geschiedenis gestudeerd

a)

heeft

b)

is

72.

We .... tot 17.30 op het strand gebleven.

a)

hebben

b)

zijn

73.

Manu en Rouby ..... zes jaar in Amsterdam gewoond.

a)

zijn

b)

hebben

74.

In het pashokje ……………………………… ik de kleren ……………………………… . (passen)

(a)  

75.

Het ……………………………… gisteren ……………………………… . (gebeuren)

(a)  

76.

Aan het station ……………………………… we een stadsfiets ……………………………… . (huren)

(a)  

77.

We ……………………………… veel ……………………………… . (leren)

(a)  

78.

Schrijf de VTT. Denken --> Jullie hebben ...

(a)  

79.

Schrijf de VTT. Bakken --> Ik heb een lekkere taart (a)  

80.

Schrijf de VTT. Doen --> Ik heb … alsof ik hem niet kende.

(a)  

81.

Schrijf de VTT. Eten--> Jij hebt veel pistolés (a)  

82.

Schrijf de VTT. Bidden --> Ik heb … voor de Belgen op het Europees Kampioenschap.

(a)  

83.

Schrijf de VTT. Fluiten (siffler) --> Ik heb (a)  

84.

Schrijf de VTT. Opblazen--> Wij hebben de ballonnen (a)  

85.

Schrijf de VTT.

Dwingen--> Ik heb de leerlingen (a)   om Nederlands te spreken.

86.

Schrijf de VTT. Helpen--> Ik heb mijn team (a)   bij de Olympische Spelen.

87.

Schrijf de VTT. Kiezen--> Ik heb voor Intaco (a)   want de leraren zijn heel knap.

88.

Schrijf de VTT. Kopen-->

Ik heb een t-shirt van Intaco (a)  

89.

Let op. Schrijf nu de OVT.

Eten --> Ik (a)   lekker balletjes in tomatensaus gisteren.

90.

Let op. Schrijf nu de OVT.

Drinken--> Ik (a)   de melk op.

91.

Let op. Schrijf nu de OVT.

Hangen --> Ik (a)   de was buiten.

92.

Let op. Schrijf nu de OVT.

Grijpen --> Wij (a)   de kans.

93.

Let op. Schrijf nu de OVT.

Breken --> Ik (a)   het brood met mijn vrienden.

94.

Let op. Schrijf nu de OVT.

Bijten --> Ik (a)   in de watermeloen.

95.

Let op. Schrijf nu de OVT.

Gaan --> Wij (a)   naar de cinema.

96.

Let op. Schrijf nu de OVT.

Glijden --> Ik (a)   over het ijs.

97.

Om 7 uur ben ik ... (opstaan).

a)

geopstaan

b)

opstaand

c)

opgestaan

d)

opgestond

98.

Om halfzeven heb ik ... (ontbijten).

a)

ontbeten

b)

geontbeten

c)

geontbijt

d)

ontgebeten

99.

Daarna heb ik een lange douche ... (nemen).

a)

geneemd

b)

geneemt

c)

genomen

d)

genommen

100.

Om 10 uur ... ik in het bos gewandeld.

a)

ben

b)

heb

c)

zijn

d)

hebben

101.

Na de wandeling heb ik een lekkere koffie ... (drinken).

a)

gedrinkt

b)

gedronken

c)

gedranken

d)

gedrinken

102.

Daarna heb ik een paar vrienden ... (ontmoeten).

a)

ontmoet

b)

geontmoet

c)

ontgemoet

d)

geontmoed

103.

Natuurlijk heb ik ook een beetje met de PS4 ... (spelen).

a)

gespeeld

b)

gespeelt

c)

gespeld

d)

gespelt

104.

's Avonds heb ik mijn oma ... (opbellen)

a)

geopbeld

b)

opbeld

c)

opgebeld

d)

opgebelt

105.

Ik ... tot aan de kerk gelopen.

a)

heb

b)

ben

c)

hebben

d)

zijn

106.

Ik heb tot middernacht naar TV ... (kijken)

a)

gekijkt

b)

gekeekt

c)

gekeekd

d)

gekeken

107.

Ik heb vandaag buiten voetbal ...

a)

gespeeld

b)

gespeelt

c)

gespeld

108.

Ik heb mama ook ... met de afwas.

a)

gehelpt

b)

geholpen

c)

geholpt

109.
Welk woord is fout gespeld?
a)
contribusie
b)
contributie
110.
Welk woord is fout gespeld?
a)
narcissen
b)
narsissen
111.
Welk woord is fout gespeld?
a)
annoniem
b)
anoniem
112.
Welk woord is goed gespeld?
a)
tvprogramma
b)
tv-programma
c)
tv-progamma
113.
Welk woord is fout gespeld?
a)
terapie
b)
therapie
114.
Welk woord is fout gespeld?
a)
stopwatch
b)
stopwats
115.
Welk woord is goed gespeld?
a)
kompliment
b)
compliment
c)
complimend
116.
Vul het werkwoord 'beantwoorden' in op de puntjes. (t.t.)
De meester ... de vraag.
a)
beantwoort
b)
beantwoorde
c)
beantwoordt
d)
beantwoord
117.
Vul het werkwoord 'tekenen' in op de puntjes. (voltooid deelwoord)
Annemarie heeft een mooie draak ...
a)
getekend
b)
getekent
c)
tekende
d)
getekendt
118.
Vul het werkwoord 'beantwoorden' in op de puntjes. (voltooid deelwoord)
Is je vraag nu ...?
a)
beantwoort
b)
beantwoord
c)
beantwoordt
119.
Vul het werkwoord 'besturen' in op de puntjes. (t.t.)
Jan ... de radiografisch bestuurbare auto.
a)
bestuurt
b)
bestuurd
c)
bestuurdt
d)
bestuurde
120.
Vul het werkwoord 'besturen' in op de puntjes. (voltooid deelwoord)
De radiografisch bestuurbare auto wordt door Jan ...
a)
bestuurdt
b)
bestuurt
c)
bestuurd
d)
besturen
121.
Vul het werkwoord 'vinden' in op de puntjes. (t.t.)
... je deze quiz leuk?
a)
vind
b)
vint
c)
vindt
d)
vond
122.
Vul het werkwoord 'vinden' in op de puntjes. (t.t.)
Ik weet niet of iedereen de quiz leuk ...
a)
vint
b)
vind
c)
vindt
d)
vond
123.
Vul het werkwoord 'gebeuren' in op de puntjes. (t.t.)
Het ... nogal eens dat het werkwoord gebeuren verkeerd wordt vervoegd.
a)
gebeurdt
b)
gebeurde
c)
gebeurd
d)
gebeurt
124.
Vul het werkwoord 'gebeuren' in op de puntjes. (voltooid deelwoord)
Misschien is dat bij jou ook wel eens ...
a)
gebeurdt
b)
gebeuren
c)
gebeurt
d)
gebeurd
125.

Wat is de juiste schrijfwijze?

a)

Chinese thee

b)

chineese thee

c)

Chinese the

d)

chinese thee

126.

Tekenen doe je met een ...

a)

potloot

b)

pootlod

c)

potloodt

d)

potlood

127.

Ik ... het gras

a)

sproeij

b)

sproei

c)

sproej

d)

sproeje