wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Woordsoorten 3U

Total questions: 18

Worksheet time: 6mins

Name
Class
Date
1.

Ik ga op vakantie naar Frankrijk.

Onderstreept woord is een:

a)

Eigennaam

b)

Concreet zelfstandig naamwoord

c)

Abstract zelfstandig naamwoord

2.

Anne hoopt ooit een eenhoorn te spotten.

Onderstaand woord is een:

a)

Eigennaam

b)

Concreet zelfstandig naamwoord

c)

Abstract zelfstandig naamwoord

3.

De verdachte is acht uur lang ondervraagd.

Onderstreept woord is een:

a)

Zelfstandig werkwoord

b)

Koppelwerkwoord

c)

Hulpwerkwoord

4.

Zij is voorzitter geweest.

Onderstreept woord is een:

a)

Zelfstandig werkwoord

b)

Koppelwerkwoord

c)

Hulpwerkwoord

5.

Een bijvoeglijk naamwoord geeft plaats, tijd of oorzaak aan.

a)

Waar

b)

Niet waar

6.

Vanwege de warmte vielen alle lessen 's middags uit.

Onderstreept woord is een:

a)

Bijvoeglijk naamwoord

b)

Voorzetsel

c)

Voegwoord

d)

Bijwoord

7.

Dus, en, maar, of & want zijn:

(a)  

8.

Onderschikkende voegwoorden verbinden meestal een bijzin aan een hoofdzin.

a)

Waar

b)

Niet waar

9.

Een bijwoord kan ontkenning, plaats, richting, tijd en zekerheid aangeven.

a)

Waar

b)

Niet waar

10.

De muggen op mijn kamer zijn heel vervelend.

Onderstreept woord is een:

a)

Bijvoeglijk naamwoord

b)

Voorzetsel

c)

Voegwoord

d)

Bijwoord

11.

In mijn categorie van de wedstrijd deden er maar weinig mee.

Onderstreept woord is een:

a)

Bepaald hoofdtelwoord

b)

Onbepaald hoofdtelwoord

c)

Bepaald rangtelwoord

d)

Onbepaald rangtelwoord

12.

Ik eindigde de wedstrijd als tweede.

Onderstreept woord is een:

a)

Bepaald hoofdtelwoord

b)

Onbepaald hoofdtelwoord

c)

Bepaald rangtelwoord

d)

Onbepaald rangtelwoord

13.

Leo heeft haar pen geleend.

Onderstreept woord is een:

a)

Bezittelijk voornaamwoord

b)

Persoonlijk voornaamwoord

c)

Aanwijzend voornaamwoord

d)

Onbepaald voornaamwoord

14.

Toen ik ging winkelen kocht ik een jurk. Mijn zus heeft dezelfde, bleek later.

Onderstreept woord is een:

a)

Bezittelijk voornaamwoord

b)

Persoonlijk voornaamwoord

c)

Aanwijzend voornaamwoord

d)

Onbepaald voornaamwoord

15.

In het Nederlands bestaat er maar één wederkerig voornaamwoord.

a)

Waar

b)

Niet waar

16.

Jullie vergissen je, we beginnen pas het tweede uur.

Onderstreept woord is een:

a)

Aanwijzend voornaamwoord

b)

Onbepaald voornaamwoord

c)

Wederkerig voornaamwoord

d)

Wederkerend voornaamwoord

17.

Mijn vader die altijd hard rijdt, heeft nooit een boete.

Onderstreept woord is een:

a)

Betrekkelijk voornaamwoord

b)

Antecedent

c)

Onbepaald voornaamwoord

d)

Wederkerend voornaamwoord

18.

Mijn vader die altijd hard rijdt, heeft nooit een boete.

Onderstreept woord is een:

a)

Betrekkelijk voornaamwoord

b)

Antecedent

c)

Onbepaald voornaamwoord

d)

Wederkerend voornaamwoord