Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

M1 Hst 1 - §1, 2 en 3

Total questions: 16

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Wat waren de drie bestaansmiddelen van jagers-verzamelaars?

a)

Handeldrijven

b)

Jagen

c)

Landbouw

d)

Planten verzamelen

e)

Vissen

2.

Welk tijdvak past bij dit hoofdstuk?

a)

Tijd van jagers en boeren

b)

Tijd van jagers en verzamelaars

c)

Tijd van Grieken en Romeinen

d)

Tijd van Jagers en Romeinen

3.

Is deze zit goed of fout:


Jagers-verzamelaars leefde in gewone huizen en soms in grotten.

a)

Goed

b)

Fout

4.

Welke kenmerken passen bij de jagers-verzamelaars. Meerdere antwoorden zijn mogelijk.

a)

Ze leefde in grote groepen.

b)

Ze trokken rond.

c)

Er was een duidelijke taakverdeling.

d)

Vrouwen verbouwden het graan op het land.

e)

De bestaansmiddelen zijn jagen, vissen en planten verzamelen.

5.

Is deze zin goed of fout?


De reden dat we zo weinig weten over het leven van jagers-verzamelaars komt omdat er zoveel geschreven bronnen over hen zijn.

a)

Goed

b)

Fout

6.

Welke uitspraak is juist?

a)

Akkerbouw en veeteelt zijn even oud.

b)

De akkerbouw is ouder dan de landbouw.

c)

De akkerbouw is ouder dan de veeteelt.

d)

De veeteelt is ouder dan de akkerbouw.

7.

Welke gunstige omstandigheden voor het ontstaan van landbouw was er in het Midden-Oosten?

a)

Het klimaat werd steeds kouder.

b)

Het klimaat werd steeds warmer.

c)

De mensen werden slimmer.

d)

Er kwamen steeds minder mensen.

8.

Wat zijn twee voorbeelden van sociale verschillen?

a)

Boeren geloofden in andere goden dan jagers-verzamelaars.

b)

Boeren werden vaker ziek dan jagers-verzamelaars.

c)

De ene boer heeft veel meer akkers, da andere boer veel vee.

d)

Een bestuurder krijgt meer respect dan een boer.

e)

Succesvolle boeren hebben grotere huizen dan andere boeren.

9.

Wat is geen gevolg van de overgang van jagen-verzamelen naar landbouw?

a)

Boeren gingen op een vaste plaats wonen.

b)

De bevolking groeide.

c)

Er ontstonden sociale verschillen.

d)

De kans op ziekte nam toe.

e)

De mensen werden steeds slimmer.

10.

Zet de volgende gebeurtenissen in de goede tijdsvolgorde, van vroeger naar later. Begin dus met wat eerst gebeurde.


1. De irrigatielandbouw zorgde voor een hoge opbrengst.

2. Er ontstonden steden

3. Er was een bestuur nodig.

4. Niet iedereen hoefde boer te zijn.

a)

1 - 2 - 3 - 4

b)

1 - 4 - 2 - 3

c)

1 - 2 - 4 - 3

d)

4 - 3 - 2 - 1

11.

Gebruik de afbeelding.


Bij welke sociale laag hoorde deze mensen?

a)

bestuurders

b)

schrijvers

c)

ambachtslieden

d)

boeren

12.

Welke van de volgende mensen was het meest belangrijkst?

a)

slaven

b)

boeren

c)

schrijvers

d)

bestuurders

13.

Welke gevolgen had het ontstaan van irrigatielandbouw? Meerdere antwoorden zijn mogelijk.

a)

Steeds meer mensen werden boer

b)

Mensen gingen geld gebruiken voor de handel

c)

Er ontstonden steden

d)

Er ontstonden nieuwe beroepen

e)

Er ontstond een bestuur

14.

Wat weet je al van de Egyptische godsdienst?


Welke twee uitspraken over de Egyptische godsdienst zijn juist?

a)

Egyptenaren aanbaden veel verschillende goden.

b)

Egyptenaren brachten in piramides offers aan de goden.

c)

Egyptenaren vereerden dieren en natuurkrachten.

d)

Egyptenaren vereerden hun priesters.

e)

Egyptenaren vereerden maar één god.

15.

Beschrijf hoe de Egyptenaren dachten over het leven na de dood. Gebruik de volgende begrippen:


dodenrijk - goed geleefd - mummie.

4 lines
16.

Wanneer hebben jullie de toets van hoofdstuk 1?


Deze telt maar één keer mee.

a)

3 oktober

b)

4 oktober

c)

8 oktober

d)

14 oktober