wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

66 toets thema 1 4A

Total questions: 57

Worksheet time: 53mins

Name
Class
Date
1.

Elk individu heeft een..

a)

Levensloop

b)

Levenscyclus

2.

De borstholte en de buikholte worden door een orgaan afgescheden. Welk orgaan is dat?

(a)  

3.

Welk orgaanstelsel is in de bovenstaande afbeelding te zien?

(a)  

4.

Hoe heet het organisatieniveau dat kleiner is dan een orgaan en groter dan een cel?

(a)  

5.

Noem een onderdeel van een plantencel die niet voorkomt in een dierlijke cel.

(a)  

6.

Welk onderdeel van de cel regelt wat er in de cel gebeurd?

a)

Celkern

b)

Kernmembraan

c)

Cytoplasma

d)

Bladgroenkorrels

7.

Welk onderdeel van de plantaardige cel maakt fotosynthese mogelijk?

a)

Vacuole

b)

Bladgroenkorrels

c)

Celwand

d)

Celkern

8.

Waaruit bestaan chromosomen, twee antwoorden.

(schrijf als: antwoord 1, antwoord 2)

(a)  

9.

Hoeveel chromosomen heeft een levercel?

a)

46

b)

48

c)

23

d)

22

10.

Hoeveel chromosomenparen heeft een hersencel?

a)

23

b)

22

c)

46

d)

48

11.

Deze afbeelding is een voorbeeld van _____.

a)

osmose

b)

geleide diffusie

c)

diffusie

d)

actief transport

12.

De afbeelding geeft verschillende moleculen weer die in en uit de cel bewegen. Op welke manier beweegt molecule C uit de cel?

a)

Actief transport

b)

Diffusie

c)

Natrium-kalium pomp

d)

Osmose

13.

Van waar naar waar zullen de watermoleculen zich verplaatsen bij osmose?

a)

Uit de cel, dus de cel zal krimpen.

b)

Uit de cel, dus de cel zal opzwellen

c)

In de cel, dus de cel zal inkrimpen

d)

In de cel, dus de cel zal opzwellen

14.

Deze afbeelding is een voorbeeld van _____.

a)

actief transport

b)

passief transport

c)

diffusie

d)

osmose

15.

Wanneer Joris verlepte sla in water legt, merkt hij dat de sla opnieuw fris en knapperig wordt. Verklaar zijn waarneming.

a)

De cellen van de sla nemen water op door actief transport.

b)

De cellen van de sla nemen water op door osmose.

c)

De cellen van de sla nemen zout op door diffusie.

d)

De cellen van de sla geven water of door osmose.

16.

Welke afbeelding stelt DIFFUSIE voor?

a)
b)
c)
d)
17.

Tijdens een experiment wordt een dialyseslang (= semi-permeabel membraan) gevuld met een waterige oplossing die 3% zetmeel en 3% glucose bevat. Daarna wordt deze in een beker met gedemineraliseerd water gelegd (zie afbeelding). Na 3 uur wordt er een waarneming gedaan. Welke uitspraak past bij deze waarneming?

a)

Water verplaatst zich via osmose van de beker doorheen de dialyseslang.

b)

De concentratie aan zetmeel en glucose is gelijk, zowel in de dialyseslang als in de beker.

c)

Zetmeel moleculen verplaatsen zich doorheen de dialyseslang naar de beker.

d)

Water verplaatst zich via dialyseslang naar de beker.

18.

Een aardappelschijfje wordt in een beker met gedemineraliseerd water gelegd. Na een dag wordt het aardappelschijfje uit de beker gehaald. Welke uitspraak is hier van toepassing?

a)

De massa van het aardappelschijfje is toegenomen.

b)

De massa van het aardappelschijfje is onveranderd.

c)

De massa van het aardappelschijfje is afgenomen.

d)

Geen van de bovenstaande uitspraken is correct.

19.

Robin verstuift water over de groenten in de versafdeling zodat ze er 'frisser' uitzien. Dit is een voorbeeld van _____.

a)

diffusie

b)

osmose

c)

actief transport

d)

passief transport

20.

Om lekkere erwtensoep te maken, zet je mama eerst de gedroogde erwten een nachtje onder water. Dit is een voorbeeld van _____.

a)

diffusie

b)

osmose

c)

actief transport

d)

passief transport

21.

Wat is de functie van de kern?

a)

energiemotor

b)

regelaar, door DNA

c)

kernplasma vervoeren

d)

bezit de erfelijke informatie

22.

Wat is de functie van Endoplasmatisch reticulum (ER)?

a)

transport van stoffen in de cel

b)

transport van stoffen naar buiten de cel

c)

aanmaak eiwitten

d)

stevigheid geven aan een cel

23.

Wat is de functie van een ribosoom?

a)

Aanmaak van eiwtten

b)

stevigheid geven aan de cel

c)

energiemotor

d)

vervoer van stoffen in een cel

24.

Wat is de functie van het golgi systeem?

a)

Vervoer van eiwitten naar buiten de cel

b)

aanmaak eiwitten

c)

vervoer van stoffen in een cel

d)

aanmaak lysosomen

25.

Wat is de functie van lysosomen?

a)

afbreken van stoffen

b)

energiemotor

c)

vervoer van stoffen in een cel

d)

fotosynthese bedrijven

26.

Wat is de functie van een mitochondrium?

a)

energiemotor

b)

fotosynthese bedrijven

c)

aanmaak van ATP

d)

transport van stoffen in een cel

27.

Wat wordt hier afgebeeld?

a)

Celkern

b)

Mitochondrie

c)

Lysosoom

d)

Centrosoom

28.

Wat wordt hier afgebeeld?

a)

Chloroplast

b)

Mitochondrie

c)

Nucleus

d)

Golgi complex

29.

Wat wordt hier afgebeeld?

a)

Vacuole

b)

Dierlijke cel

c)

Plantaardige cel

d)

Celkern

30.

Wat wordt hier afgebeeld?

a)

ER

b)

Golgi complex

c)

Chloroplast

d)

Centrosoom

31.

Wat wordt hier afgebeeld bij nummer 1?

a)

Cytoplasma

b)

Cytosol

c)

Kernplasma

d)

Stroma

32.

Wat wordt hier afgebeeld?

a)

Celmembraan

b)

RER

c)

Golgi complex

d)

SER

33.

Wat wordt hier afgebeeld bij nummer 2?

a)

Ribosomen

b)

Nucleus

c)

Lysosoom

d)

Nucleolus

34.

Wat wordt hier afgebeeld?

a)

Plantaardige cel

b)

Vacuole

c)

Chloroplast

d)

Nucleus

35.

Wat wordt hier afgebeeld?

a)

Vacuole

b)

Mitochondrie

c)

Lysosoom

d)

Nucleus

36.

De belangrijkste stof die mitochondriën produceren is

a)

ATP

b)

ADP

c)

AZ

d)

Glucose

37.

Het golgi-apparaat zorgt voor

a)

secretieprocessen

b)

eiwitsynthese

c)

productie van ATP

d)

productie van ADP

38.

Endocytose is

a)

Opname van stoffen in de cel

b)

Uitscheiding van stoffen uit de cel

c)

een vorm van pinocytose

d)

een vorm van energieproductie

39.

Uit welke stof kan het lichaam GEEN energie halen?

a)

Vitamines

b)

Koolhydraten

c)

Aminozuren

d)

Vetten

40.

Wat is het verschil tussen het RER en het SER?

a)

Er is geen verschil tussen beiden

b)

Plantaardige cellen hebben een RER, dierlijke cellen hebben een SER.

c)

Het SER maakt eiwitten aan, het RER verpakt ze in vestikels

d)

Op de buitenkant van het RER zitten ribosomen, op het SER niet.

41.

Wat zijn de twee belangrijkste verschillen tussen een plantaardige cel en een dierlijke cel?

a)

Plantaardige cellen hebben een celwand en chloroplasten, terwijl dierlijke cellen dat niet hebben.

b)

Plantaardige cellen hebben een celkern en een grote vacuole, terwijl dierlijke cellen dat niet hebben.

c)

Plantaardige cellen hebben geen mitochondriën en cytoplasma, terwijl dierlijke cellen dat wel hebben.

d)

Er zijn geen verschillen tussen beiden.

42.

Benoem het celorganel met nummer 1

a)

Ruw endoplasmatisch reticulum

b)

Golgi complex

c)

Nucleus

d)

Glad endoplasmatisch reticulum

43.

Benoem het celorganel met nummer 2

a)

Ruw endoplasmatisch reticulum

b)

Golgi complex

c)

Nucleus

d)

Glad endoplasmatisch reticulum

44.

Benoem het onderdeel nummer 1 van de chloroplast

a)

Grana

b)

Stroma

c)

Thylakoïde

d)

Matrix

45.

Benoem het onderdeel nummer 3 van de chloroplast

a)

Granum

b)

Stroma

c)

Thylakoïde

d)

Matrix

46.

Benoem het celorganel met nummer 13

a)

Golgi complex

b)

Chloroplast

c)

Endoplasmatisch reticulum

d)

Mitochondrie

47.

Benoem het celorganel met nummer 12

a)

Vacuole

b)

Chloroplast

c)

Nucleolus

d)

Mitochondrie

48.

Welk kenmerk past niet bij een prokaryote cel?

a)

Eencellig

b)

DNA los in cytoplasma

c)

Zeer klein

d)

Complex georganiseerd

49.

Welk kenmerk past zowel bij een prokaryote al bij een eukaryote cel?

a)

Ribosomen

b)

Geen duidelijke celkern

c)

Celorganellen omgeven door een membraan

d)

Eenvoudig georganiseerd

50.

Dit is een voorbeeld van een _____ cel.

a)

prokaryote

b)

eukaryote

51.

_____ cellen hebben celorganellen die omgeven zijn door een membraan.

a)

Prokaryote

b)

Eukaryote

c)

Alle types van

d)

Geen van de bovenstaande antwoorden is juist

52.

Welk begrip past het beste bij de volgende definitie:

'Groep individuen van dezelfde soort dat in een bepaald gebied leeft en zich onderling voortplant'

a)

Organisme

b)

Populatie

c)

Soort

d)

Ecosysteem

53.

Welk begrip past het beste bij de volgende definitie:

'deel van een organisme met een specifieke bouw en functie'

a)

Cel

b)

Organel

c)

Orgaan

d)

Organisme

54.

Welk begrip past het beste bij de volgende definitie:

'Een nieuwe eigenschap die er op het lagere organisatieniveau niet is'

a)

Kenmerkende eigenschap

b)

Specifieke eigenschap

c)

Emergente eigenschap

d)

Bepalende eigenschap

55.

Welk begrip past het beste bij de volgende definitie:

'Stoffen die de chemische reacties van stofwisselingsprocessen versnellen'

a)

Organellen

b)

Eiwitten

c)

Enzymen

d)

Moleculen

56.

Welk begrip past het beste bij de volgende definitie:

'Dingen in de natuur die nooit hebben geleefd'

a)

Levend

b)

Dood

c)

Levenloos

57.

Een virus is geen organisme

a)

waar, want een virus vertoont alle levenskenmerken

b)

niet waar, want het is een ziekteverwekker

c)

niet waar, het kan zich niet zelfstandig voortplanten