wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Arwn

Total questions: 71

Worksheet time: 51mins

Name
Class
Date
1.

Men kruist een bruingele Guinese big (Cavia) met een witte. In de F2 krijgt men 134 bruingele, 265 lichtgele en 137 witte dieren.

Wat voor soort overerving is dit? Leg je antwoord uit.

a)

x chromosomale overerving

b)

dihybride

c)

intermediaire

d)

stamboom

2.

Men kruist een bruingele Guinese big (Cavia) met een witte.

In de F2 krijgt men 134 bruingele, 265 lichtgele en 137 witte dieren.

wat zijn de genotypen van de ouders?

a)

bruingeel x wit

b)

AbAb x AwAw

c)

AbAw X AwAw

d)

AbAw X AbAw

3.

Kleurenblindheid is een recessieve, X chromosomale eigenschap. Een vrouw die heterozygoot is voor kleurenblindheid krijgt een dochter van een man die kleurenblind is.

Hoe groot is de kans dat deze dochter kleurenblind is?

a)

25%

b)

50%

c)

75%

d)

100%

4.

Hier zie je drie stambomen.

Welke van deze stambomen kan/kunnen de overerving van de oogkleur (bruin is dominant over blauw) juist weergeven?

a)

Alleen 1

b)

Alleen 2

c)

Alleen 3

5.

Hier zie je drie stambomen.

Bij welke kruising kan deze eigenschap X-chromosomaal zijn?(bruin is dominant over blauw)

a)

Alleen 1

b)

Alleen 2

c)

Alleen 3

6.

Taaislijmziekte is een ziekte, waarbij het slijm veel taaier is dan normaal. Vroeger stierven patiënten hier al heel jong aan; 50 jaar geleden werd maar 10% van de patiënten volwassen. Tegenwoordig is de gemiddelde leeftijd die patiënten halen tussen de 35 en 40 jaar. Taaislijmziekte is een recessieve aandoening.

In een gezin is van de vader, Ruud, bekend dat hij drager van dit recessieve allel is.

Van de moeder, Isabella, is bekend dat ze zelf niet ziek is, maar haar moeder had taaislijmziekte.

Hoe groot is de kans dat Ruud en Isabella een kind krijgen met taaislijmziekte?

a)

25%

b)

50%

c)

75%

d)

100%

7.
Vagina en schaamlippen zijn voorbeelden van ...?
a)
Lichamelijke primaire geslachtskenmerken
b)
Geestelijke primaire geslachtskenmerken
c)
Lichamelijke secundaire geslachtskenmerken
d)
Geestelijke secundaire geslachtskenmerken
8.
Welk orgaan hoort bij de volgende beschrijving:
"...vervoeren zaadcellen"
a)
Teelbal
b)
Balzak
c)
Bijbal
d)
Zaadleider
9.
Waar vindt de innesteling van een bevruchte eicel plaats?
a)
Eileider
b)
Baarmoederslijmvlies
c)
Baarmoedermond
d)
Vagina
10.
Na hoeveel dagen (ongeveer) na de ovulatie vindt innesteling plaats?
a)
1-3
b)
5-7
c)
7-10
d)
11-14
11.
Welke uitspraak over AIDS is onjuist?
a)
Het is een bacteriële infectie
b)
Je raakt vatbaar voor verschillende ziektes
c)
Het immuunsysteem wordt zwakker
d)
Het is een virus
12.
Wat is géén fase van de bevalling?
a)
Ontsluiting
b)
Weeën
c)
Indaling
d)
Uitdrijving
13.
Voorbeelden van rudimentaire organen bij de mens zijn:
a)
dunne dram en staartbeen
b)
dunne darm en blinde darm
c)
blinde darm en staartbeen
14.
Door middel van DNA kan worden na gegaan of twee dieren verwant zijn, dezelfde voor ouder hebben.
a)
Waar
b)
Niet waar
15.
Bij planten etende dieren is de blinde darm een.....
a)
een rudimentair orgaan
b)
een orgaan
16.
Dieren die allebei vliegen met hun vleugels zijn altijd verwant.
a)
Niet waar, want ze kunnen verschillende voorouders hebben.
b)
Waar, want ze hebben dezelfde voorouder.
17.
Dieren waren de eerste organisme die op de aarde leefden.
a)
Waar
b)
Niet waar
18.
Als twee organisme een orgaan hebben dat over een komt in bouw maar verschillend is in functie dan zijn deze organen....
a)
analoog
b)
homoloog
19.
Hoe is de blinde darm bij de mens een rudimentair orgaan geworden?
a)
De mens ging plots minder planten eten en daardoor is hij gekrompen.
b)
De mens ging over een verloop van 10 duizenden jaren minder planten eten waardoor een blinde darm niet meer nodig was.
c)
Door een mutatie is deze kleiner geworden.
20.
Een pantoffel diertje is een dier.
a)
Waar
b)
Niet waar, want hij is eencellig.
21.
Er vond eerst fotosynthese plaats en toen verbranding.
a)
Waar
b)
Niet waar
22.
In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir. Twee jaar later is hij volwassen geworden.Heeft het jonge dier hetzelfde genotype als het volwassen dier? 
a)
juist
b)
onjuist
23.
In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir. Twee jaar later is hij volwassen geworden. Heeft  het jonge dier hetzelfde fenotype als het volwassen dier? 
a)
juist
b)
onjuist
24.
Kunnen door mutaties en geslachtelijke voortplanting organismen ontstaan met nieuwe genotypen?
a)
juist
b)
onjuist
25.
Heeft een lichaamscel van een mens 46 chromosomen?
a)
juist
b)
onjuist
26.
Is een albino een mutant? 
a)
juist
b)
onjuist
27.
Is straling een mutagene invloed?
a)
juist
b)
onjuist
28.
John heeft veel getraind. Zijn spieren zijn hierdoor dik geworden. Is er bij John het fenotype veranderd?
a)
juist
b)
onjuist
29.
Wanneer komt het genotype van een baby tot stand? 
a)
bij de vorming van de eicel
b)
bij de bevruchting
c)
bij de geboorte
30.
Iets waar je zintuigen op reageren heet een ...
a)
Impuls
b)
Seintje
c)
Prikkel
d)
Zenuw
31.
Het centrale zenuw-stelsel bestaat uit:
a)
Zenuwen
b)
Zenuwen en de hersenen
c)
Zenuwen en het ruggenmerg
d)
De hersenen en het ruggenmerg
32.
Bewust worden gebeurt in de spieren.
a)
Juist
b)
Onjuist
33.
De weg die een geurstof tot aan de hersenen moet maken is:
1: Langs het neus-slijmvlies
2: Langs het reuk-zenuw
3: Langs de reuk-zintuigcellen
4: Hersenen
a)
Juist
b)
Onjuist
34.
Wat wordt bedoeld in het kader  bij het vraagteken?
a)
Neusholte
b)
Neus-slijmvlies
c)
Reukharen
d)
Zintuigcellen
35.
Bij welk zintuig hoort deze afbeelding?
a)
Gehoor-zintuig
b)
Gezichts-zintuig
c)
Reuk-zintuig
d)
Smaak-zintuig
36.
Wat is de functie van oorsmeer?
a)
Vochtig houden van het trommelvlies
b)
Soepel houden van het trommelvlies
c)
Zorgt ervoor dat het trommelvlies niet kan bewegen
d)
Geeft het trommelvlies een gele kleur
37.
Met dit deel van het oog kan je scherp zien.
a)
Iris
b)
Pupil
c)
Harde oogvlies
d)
Lens
38.
In deze laag van het oog liggen de meeste bloedvaten.
a)
Harde oogvlies
b)
Vaatvlies
c)
Netvlies
39.
Langs welke weg gaat het licht van het oog-zintuig?
a)
Hoornvlies-pupil-lens-glasachtige lichaam-netvlies
b)
Glasachtige lichaam-netvlies-pupil-lens-hoornvlies
c)
Hoornvlies-lens-netvlies
d)
Lens-pupil-hoornvlies-netvlies-glasachtige lichaam
40.
Met deze vlek kan je niets zien.
a)
Gele vlek
b)
Blinde vlek
c)
Lege vlek
d)
Zenuw vlek
41.
Hoeveel soorten zenuwcellen bestaan er?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
42.
De grijze kleur van de (vlindervormige) stof in het ruggenmerg wordt veroorzaakt door:
a)
Uitlopers van motorische zenuwcellen.
b)
Uitlopers van sensorische zenuwcellen.
c)
Schakelcellen.
d)
Uitlopers van schakelcellen.
43.

Twee leerlingen doen elk een bewering over schade aan delen van het zintuigenstelsel en het zenuwstelsel.

Mariam zegt: 'Door schade aan een zintuig kunnen in dit zintuig wellicht geen impulsen meer ontstaan.'

June zegt: 'Door schade aan de hersenstam kan verlamming van het gehele lichaam ontstaan.' Wie heeft gelijk?

a)

Mariam heeft gelijk

b)

June heeft gelijk

c)

geen van beiden heeft geljk

d)

beiden hebben gelijk

44.

welke zintuigcel is gevoeliger voor een bepaalde prikkel

a)

een zintuigcel met een lage drempelwaarde

b)

een zintuig met een hoge dremelwaarde

45.

wat betekent adequate prikkel

a)

dat het een prikkel is die opgepikt wordt door het juiste zintuig

b)

dat elke zintuigcel deze prikkel kan verwerken

46.
In je oog gaat het licht achtereenvolgens door:
a)
Pupil - hoornvlies - lens - glasachtig lichaam - netvlies
b)
Hoornvlies - lens - pupil - glasachtig lichaam - netvlies
c)
Hoornvlies - pupil - lens - glasachtig lichaam - netvlies
d)
Hoornvlies - pupil - lens - netvlies - glasachtig lichaam
47.
Taaislijmziekte is een ziekte waarbij slijm dat in het lichaam wordt gemaakt, abnormaal dik en taai is. Dit veroorzaakt problemen in verschillende orgaanstelsels.
Bij veel mensen met taaislijmziekte werkt de alvleesklier niet goed. Dit kan een vorm van suikerziekte tot gevolg hebben. De alvleesklier maakt dan niet voldoende hormonen voor het regelen van het glucosegehalte van het bloed.
Hoe heten deze hormonen?
a)
adrenaline en glucagon
b)
adrenaline en insuline
c)
glucagon en insuline
48.
De suikers die bij de afbraak van zetmeel ontstaan, worden vanuit de dunne darm door het bloed naar de lever gevoerd.
In de lever worden deze suikers omgezet in glycogeen en daarna opgeslagen.
Waar in het lichaam wordt nog meer veel glycogeen opgeslagen?
a)
in de botten
b)
in de spieren
c)
onder de huid
49.

Welke zintuigen zitten in de huid?

a)

Tast, druk, warmte, koude en pijn

b)

Tast, druk, warmte, koude en gehoor

c)

Warmte, koude, zicht en pijn

d)

Smaak en reuk

50.

Wat is de functie van talgklieren?

a)

Zweet produceren om het lichaam af te koelen

b)

Talg produceren om haren en hoornlaag soepel te houden

c)

Talg produceren om bacteriën op de huid te doden

d)

Prikkels opvangen

51.

Welke lagen heeft de huid, van buiten naar binnen

a)

Opperhuid - lederhuid - onderhuids bindweefsel

b)

Opperhuid - onderhuids bindweefsel - lederhuid

c)

Lederhuid - onderhuids bindweefsel - opperhuid

d)

Onderhuids bindweefsel - lederhuid - opperhuid

52.

Wat is de functie van het neusslijmvlies?

a)

Stof en ziekteverwekkers tegenhouden

b)

Geurstoffen opvangen

c)

Neusharen soepel maken

d)

Impulsen maken

53.

Wat is de functie van de Buis van Eustachius?

a)

Zorgen dat de druk rondom het trommelvlies gelijk blijft zodat het goed kan trillen

b)

Zorgen dat er geen bacteriën vanuit de keelholte naar de trommelholte kunnen

c)

Trillingen doorgeven van de oorschelp naar het trommelvlies

d)

Impulsen vanuit het oor doorgeven aan de hersenen

54.

Een zintuig is een orgaan dat reageert op een bepaalde invloed uit de omgeving. Dit noemen we:

a)

een impuls

b)

een prikkel

c)

een signaal

d)

een waarneming

55.

Wat is de naam van onderdeel 9?

a)

Evenwichtszintuig

b)

Slakkenhuis

c)

Trommelholte

d)

Gehoorzenuw

56.
Wat is de functie van oorsmeer?
a)
Vochtig houden van het trommelvlies
b)
Soepel houden van het trommelvlies
c)
Zorgt ervoor dat het trommelvlies niet kan bewegen
d)
Geeft het trommelvlies een gele kleur
57.
Waar zitten de schakelcellen?
a)
In het centraal zenuwstelsel
b)
Alleen in het ruggenmerg
c)
Alleen in de hersenen
d)
Overal in ons lichaam
58.
Welke weg leggen impulsen af bij een reflexboog?
a)
Gevoelszenuwcel->schakelcel->grote hersenen->schakelcel_.bewegingszenuwcel
b)
Gevoelszenuwcel->schakelcel->hersenstam ->schakelcel_.bewegingszenuwcel
c)
Gevoelszenuwcel->schakelcel->bewegingszenuwcel
59.
Welk nummer is de zweetklier
a)
6
b)
1
c)
14
d)
5
60.

Hoe kun je dichtbij scherp zien?

a)

De lens moet boller worden.

b)

De lens moet holler worden.

61.
Wat is biodiversiteit?
a)
Het aantal verschillende dieren in een gebied.
b)
Het aantal verschillende soorten in een gebied.
c)
Het aantal verschillende planten in een gebied.
62.
Je ziet hier een voorbeeld van:
a)
een populatie.
b)
een ecosysteem.
c)
een lage biodiversiteit.
d)
een hoge biodiversiteit
63.
Een prooidier is een abiotische factor.
a)
Juist
b)
Onjuist
64.
Een soortgenoot is een biotische factor.
a)
juist
b)
onjuist
65.
In deze afbeelding zie je een:
a)
levensgemeenschap
b)
individu
c)
biotoop
d)
populatie
66.
Hoe noem je alle abiotische factoren samen?
a)
ecosysteem
b)
bioom
c)
biotoop
d)
biosfeer
67.
Hoe noem je alle biotische factoren samen.
a)
ecosysteem
b)
biotoop
c)
levensgemeenschap
d)
niche
68.
Lijsterbes-sprinkhaan-kikker-slang vormen een voedselketen.
a)
juist
b)
onjuist
69.
De libel is een consument van de 4e orde.
a)
juist
b)
onjuist
70.
Uit hoeveel schakels bestaat de kortste voedselketen in de afbeelding?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
71.
Wat is een voedselweb?
a)
Een reeks van eten en gegeten worden.
b)
Alle biotische factoren in een ecosysteem.
c)
Alle voedselrelaties in een ecosysteem.