Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Boerderij Binask

Total questions: 39

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Wat zijn de vrouwlijke voortplantingsorganen van zaadplanten zijn?

a)

Meeldraden

b)

Stampers

2.

De mannelijke voortplantingsorganen van zaadplanten zijn?

a)

Meeldraden

b)

Stampers

3.

Nummer 2 is een meeldraad?

a)

Ja

b)

Nee

4.

Nummer 4 is een kroonblad?

a)

Ja

b)

Nee

5.

De kroonbladeren hebben nummer

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

6.

De kelkbladeren hebben nummer

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

7.

De stamper heeft nummer

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

5

8.

Planten hebben nodig:

a)

zuurstof

b)

koolstofdioxide

c)

zuurstof en koolstofdioxide

9.

Het maken van zuurstof en glucose door een plant heet

a)

fotosynthese

b)

verbranding

10.

Glucose wordt NIET gemaakt in

a)

bladeren

b)

wortels

c)

stengel

d)

bloem

11.

Op het plaatje zie je (gebruik je werkbladen om het op te zoeken)

a)

een voedselketen

b)

een voedselweb

c)

een voedselkringloop

12.

Van welke vaten is dit:

Vervoer van water met glucose vanuit de bladeren naar de andere organen

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

13.

Wat is nodig om fotosynthese in gang te zetten?

a)

Licht

b)

Warmte

c)

Geen licht

14.

Van welke vaten is dit:

Hierdoor stroomt water met mineralen uit de wortels omhoog.

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

15.

Welke delen zorgen voor vervoer van water en voedingstoffen in een plant?

a)

Wortel

b)

stengel

c)

houtvat

d)

bastvat

16.

Voortplanting zoals deling, stekken, knollen, bollen, uitlopers en wortelstokken noem je ook wel:

a)

ongeslachtelijke voortplanting

b)

geslachtelijke voortplanting

17.
Planten hebben bloemen voor
a)
geslachtelijke voortplanting
b)
ongeslachtelijke voortplanting
c)
de sier
18.
Op welke manieren kunnen planten zich voortplanten?
a)
Geslachtelijk
b)
Ongeslachtelijk
c)
Geslachtelijk en ongeslachtelijk
d)
Ze kunnen zich niet voorplanten
19.

Wat hoort NIET bij ongeslachtelijke voortplanting?

a)

Zaad

b)

Knollen

c)

Bollen

d)

Uitlopers

20.

Welke voedselketen klopt?

a)

havik --> muis --> eik

b)

eik --> eekhoorn --> bonte specht --> havik

c)

eik --> rups --> koolmees --> havik

d)

eik --> muis --> everzwijn --> havik

21.

Wat is een organisme?

a)

Iets wat beweegt

b)

Iets wat leeft

c)

Iets wat groeit

22.

Een organisme is...

a)

een plant

b)

een dier

c)

een levend wezen

23.

Een organisme bestaat uit...

a)

meerdere orgaanstelsels die samenwerken

b)

meerdere organen die samenwerken met 1 doel

c)

meerdere weefsels die samenwerken met 1 doel

d)

meerdere cellen die samenwerken met 1 taak

24.

De longen, het hart, de nieren en de maag zijn...

a)

cellen

b)

weefsels

c)

organen

d)

organenstelsels

25.

Kijk naar de afbeelding. Dit is een ..... cel

a)

dierlijke

b)

plantaardige

26.

Kijk naar de afbeelding T. Dit is een .... cel

a)

dierlijke

b)

plantaardige

27.
In welke 4 rijken wordt de levende natuur ingedeeld?
a)
bacteriën - zwammen - planten - vissen
b)
virussen - bacteriën - champignonnen - zwammen
c)
eencelligen - tweecelligen - driecelligen - viercelligen
d)
bacteriën - schimmels - planten - dieren 
28.
Welke cel heeft geen celkern?
a)
een bacterië 
b)
een schimmel
c)
een plant
d)
een dier
29.
Waarvoor zorgen de bladgroenkorrels in de cellen van planten?
a)
ze hebben geen doel
b)
voor het vasthouden van vocht 
c)
 voor de steun van de plant
d)
voor de groene kleur
30.

Zuivere stoffen kun je scheiden door scheidingsmethoden te gebruiken.

a)

Waar.

b)

Niet waar.

31.

Bij de bovenstaande foto

a)

Is rechts helder en links troebel

b)

Is rechts troebel en links helder

c)

Zijn beide helder

d)

Zijn beide troebel

32.

Bij de bovenstaande foto is de linker

a)

Een heldere oplossing

b)

Een troebele suspensie

c)

Een heldere suspensie

d)

Een troebele oplossing

33.

mayo bestaat uit water en vet en is dus een

a)

Emulsie

b)

Emulgator

c)

Suspensie

d)

Aceton

34.
welk mengsel is altijd helder?
a)
oplossing
b)
emulsie
c)
suspensie
d)
alle drie
35.
Welk van de onderstaande begrippen is geen scheidingsmethode?
a)
filtreren
b)
extraheren
c)
oplossen
d)
indampen
36.

Welke faseovergang gaat niet van of naar vaste stof?

a)

Smelten

b)

Sublimeren

c)

Stollen

d)

Condenseren

37.

Wat wordt aangegeven met letter A?

a)

Het filter

b)

Filtreerpapier

c)

Filtraat

d)

Residu

38.

Van welke scheidingsmethode zie je hierin afgebeeld?

a)

Bezinken

b)

Bezinken en afschenken

c)

Filtreren

d)

Indampen

39.

Met behulp van welke scheidingsmethode kan je een zout/zand mengsel scheiden?

a)

Destilleren

b)

Bezinken

c)

Zeven

d)

Absorberen