wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ouderengeneeskunde quiz

Total questions: 22

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Welke ziekte kan geen dementie veroorzaken?

a)

m. Parkinson

b)

Hyperthyreoïdie

c)

Creutzfeldt-Jakob

d)

Ziekte van Huntington

2.

Dhr A, 88 jaar, oa bekend vasculaire dementie, heeft een verblijfskatheter ivm chronische blaasretentie door

prostaathypertrofie. De verpleegkundige vertelt bij de ochtendvisite dat er regelmatig urine langs de katheter lekt. Hij heeft

een siliconenkatheter maat 14. De katheter is al meerdere keren doorgespoeld waarbij geen verstopping is. Wat doe je?

a)

Je vervangt de katheter door eenzelfde maat katheter en vergroot de balloninhoud bij plaatsing van een nieuwe

katheter

b)

Je vervangt de katheter door een grotere maat katheter

c)

Je start anticholinergica omdat de oorzaak zeer waarschijnlijk obv blaaskrampen is

d)

Je vervangt de katheter door een kleinere maat katheter

3.

Mw X, 90 jaar, is opgenomen in het verpleeghuis i.v.m. revalidatie na heupfractuur. Patiënt is erg ongelukkig over het verblijf in het verpleeghuis en besluit vroegtijdig tegen medisch advies in naar huis te gaan. Het betreft een vrijwillige opname. Wat doe je?

a)

Ondanks dat je het niet eens bent met ontslag, regel je wel alle nazorg/thuiszorg.

Daarnaast laat je de patiënt ook schriftelijk vastleggen dat zij tegen advies in naar huis gaat.

b)

Ondanks dat je het niet eens bent met ontslag, regel je wel alle nazorg/thuiszorg.

Je vraagt geen schriftelijke verklaring.

c)

Je wijst patiënt op alle mogelijke risico’s en consequenties van het ontslag.

Je laat de patiënt schriftelijk vastleggen dat zij tegen medisch advies in naar huis is gegaan.

4.

De patient zit in laatste stukje van zijn terminale fase. Zorgmomenten zijn pijnlijk waarvoor de patient morfine krijgt. Bij beoordeling oogt de patient onrustig/delirant. 

Bij beoordeling lijkt de patient niet pijnlijk of dyspnoeisch. 

Welke 3 oorzaken van onrust moeten er bij de patient in de casus in je  differentiaaldiagnose staan en wat hier bij te doen? 

4 lines
5.

Patient in palliatieve setting heeft een pacemaker. Moet deze uitgezet worden? 

a)

Juist

b)

Onjuist

6.

Welke twee klachten worden het frequentst

gemeld door palliatieve patiënten?

a)

Dyspneu en misselijkheid

b)

Anorexie en vermoeidheid

7.

Wel middel is effectief in de palliatieve

fase tegen anorexie en vermoeidheid?

a)

Prednison 2dd20mg

b)

Dexamethason 1dd4mg

c)

Methylfenidaat 2dd5mg

8.

Wat is GEEN kenmerk van het typische

looppatroon bij de ziekte van Parkinson?

a)

Asymmetrisch verminderde armzwaai

b)

Verbreed gangspoor

c)

Traag, schuifelend looppatroon

d)

Episodes van “Freezing”

e)

Verminderde staphoogte

9.

Wat is de voorkeursbehandeling voor ongecompliceerd

(vroeg fase) Parkinson bij de oudere patient (>65 jaar)?

a)

Levodopa

b)

Levodopa in combinatie met decarboxylaseremmer

c)

Dopamine agonist

10.

De griepprik wordt geadviseerd aan iedereen in de leeftijd van 55 jaar en ouder.

a)

Ja

b)

Nee

11.

Kun je als je allergisch bent voor bestanddelen van de griepprik, zoals kippenei-eiwit of de antibiotica gentamicine of neomycine de griepprik krijgen

a)

Ja

b)

Nee

12.

Je doet een huisbezoek bij Dhr S en zijn vrouw. Dhr. S, 82 jaar bekend met

beginnende parkinson, verdenk je van een delier bij een pneumonie. Hij weet

plotseling niet goed meer meer welke dag het is en ziet zijn bedkussen aan voor

zijn overleden kat waarmee hij nu aan het knuffelen is. Je geeft hem amoxicilline

voor de pneumonie, wat doe je verder?

a)

Uitleg alarmsymptomen en morgen opnieuw visite

b)

Uitleg alarmsymptomen en Haldol 2dd 0.5mg en morgen opnieuw visite

c)

Uitleg alarmsymptomen en Haldol 2dd 1.0mg en morgen opnieuw visite

d)

Uitleg alarmsymptomen en Lorazepam 2mg oraal en morgen opnieuw visite

e)

Overleg met specialist

13.

Je verdenkt mevrouw K van een delier bij een urineweginfectie. Zij wijst naar het

raam en zegt dat ze vogels ziet zitten met afluisterapparatuur. “Die beesten

houden me continue in de gaten en luisteren me af” zegt ze. Hoe reageert u

hierop?

a)

Welnee dat kan toch helemaal niet?

b)

Ik denk niet dat dat zo is, maar stel nou dat het zo zou zijn, kunnen ze het

toch niet doorvertellen.

c)

Wat vervelend dat u dat denkt, dat lijkt me erg angstig voor u. Ik zie de vogels

zitten maar geen afluisterapparatuur.

d)

Ja ik zie het ook, ik zal ze wegjagen dan heeft u er geen last meer van.

14.

Wat geeft geen verhoogd risico op

urine-incontinentie?

a)

Gebruik van diuretica

b)

Hypernatriëmie

c)

Obstipatie

d)

Bekend met M. Parkinson

15.

Welke stelling is juist?

a)

Urine-incontinentie treft vaker vrouwen, meestal is bij hen sprake van gemengde incontinentie.

b)

Urine-incontinentie treft vaker vrouwen, meestal is bij hen sprake van urge-incontinentie.

c)

Urine-incontinentie treft vrouwen en mannen even vaak, meestal is sprake van gemengde incontinentie.

d)

Urine-incontinentie treft vrouwen en mannen even vaak, meestal is sprake van urge-incontinentie.

16.

Welk middel wordt afgeraden te gebruiken tijdens het uitvoeren van euthanasie 

a)

Thiopental 

b)

Rocuronium 

c)

Kaliumchloride 

d)

Propofol 

e)

Lidocaïne 1% 

17.

Wat doe je vooraf aan de uitvoering van de euthanasie met de pacemaker/ICD 

a)

Pacemaker deactiveren, ICD niet 

b)

ICD deactiveren, pacemaker niet 

c)

Beide dienen gedeactiveerd te worden 

d)

Beide kunnen actief blijven. 

 

18.

Geeft orale toediening van morfine meer obstipatie dan transdermale toediening van fentanyl?

a)

Ja, orale toediening van morfine geeft meer obstipatie

b)

Nee, orale toediening van morfine geeft juist minder obstipatie

c)

Nee, er is geen verschil in het optreden van obstipatie tussen deze twee toedieningen

19.

Zijn morfine en fentanyl lipofiele of hydrofiele pijnstillers?

a)

Beide lipofiele pijnstillers

b)

Beide hydrofiele pijnstillers

c)

Morfine hydrofiel, fentanyl lipofiel

d)

Morfine lipofiel, fentanyl hydrofiel

20.

Wanneer mag je volgens de wet zorg en dwang onvrijwillige zorg toepassen? 

a)

Als er ernstig nadeel dreigt

b)

Als de cliënt een psychogeriatrische aandoening (zoals dementie) heeft of een verstandelijke beperking 

c)

Als er geen andere oplossing is om 'ernstig nadeel' te bestrijden 

d)

Alle drie zijn een voorwaarde 

21.

Hoe vaak moet volgens de Wet zorg en dwang een nieuwe maatregel geëvalueerd worden (niet toegepast in noodsituatie)? 

I

a)

Elke 2 weken  

b)

In eerste instantie elke 3 maanden, later elk half jaar

c)

Elk half jaar

22.

Wat is de grootste beïnvloedbare risicofactor van dementie?

a)

Roken

b)

Depressie

c)

Lage mentale activiteit

d)

Diabetes mellitus