wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

organen en cellen atheneum

Total questions: 71

Worksheet time: 53mins

Name
Class
Date
1.
Vervoert zuurstof en voedingsstoffen naar de organen.
a)
ademhalingsstelsel
b)
bloedvatenstelsel
c)
spierstelsel
d)
zenuwstelsel
2.
Welk orgaan valt niet onder het verteringsstelsel?
a)
dikke darm
b)
dunne darm
c)
hart
d)
maag
3.
Wat is de juiste volgorde van groot naar klein?
a)
Organenstelsel - Organisme - Weefsel - Cellen
b)
Organisme - Organenstelsel - Weefsel - Cellen
c)
Organisme - Organenstelsel - Organen - Weefsel - Cellen
d)
Organenstelsel- Organisme - Organen
4.
Welk onderdeel heeft een dierlijke cel niet?
a)
Kern
b)
Celmembraan
c)
Celwand
d)
Cytoplasma
5.

Waar in een plantencel vind fotosynthese plaats?

a)

Celkern

b)

Cytoplasma

c)

Bladgroenkorrels

d)

Celwand

6.

De stevigheid van dierlijke cellen ontstaat door stevige celwanden. Juist of onjuist?

a)

Juist

b)

Onjuist

7.

Een groep organen die samen een bepaalde functie hebben is een ......

a)

Cel

b)

Weefsel

c)

Orgaan

d)

Organenstelsel

e)

Organisme

8.

De lever hoort bij het .......

a)

Bloedvatenstelsel

b)

Verteringsstelsel

c)

Spierstelsel

d)

Zenuwstelsel

9.

Zie je in de afbeelding één of meerdere weefsels?

a)

één weefsel

b)

meerdere weefsels

10.

Onderdeel 1 heet

a)

Cytoplasma

b)

Vacuole

c)

Kern

11.
welke orgaan wordt aan gegeven met nr. 1
a)
slokdarm
b)
keel
c)
luchtpijp
d)
strot
12.
Welk orgaan wordt aangegeven met nr. 5 
a)
lever
b)
dikke darm
c)
maag
d)
alvleesklier
13.

In de afbeelding zie je een aantal organenstelsels. Welk(e) orgaanstelsel(s) hoort/horen bij het levenskenmerk groeien?

a)

Spierstelsel en bottenstelsel

b)

Bloedvatenstelsel en verteringsstelsel

c)

Verteringsstelsel en spierstelsel

d)

Ademhalingsstelsel en voortplantingsstelsel

14.

In de dwarsdoorsnede van de torso is nummer 4 ...

a)

het hart

b)

de long

c)

de ruggewervel

d)

de slokdarm

15.
Hoeveel chromosomen heeft een levercel van een mens?
a)
23
b)
48
c)
46
d)
16
16.
Wat is onjuist?
a)
Intercellulaire ruimte is de ruimte tussen de cellen
b)
Een vacuole geeft een cel stevigheid
c)
Cytoplasma bestaat uit water
d)
Celmembraan komt zowel in dierlijke als plantaardige cellen voor
17.

Chromosomen zijn opgebouwd uit DNA en op het DNA liggen erfelijke eigenschappen. Deze zijn bij iedereen verschillend. Hoe komt dat?

a)

Doordat de volgorde van de basenparen in DNA bij iedereen verschillend is.

b)

Doordat DNA in lengte per persoon verschilt.

c)

Doordat iemand meer DNA heeft dan de ander.

d)

Doordat het aantal chromosomen verschilt.

18.

Bij rijping van een tomaat verander de tomaat van kleur. Eerst is hij groen en langzamerhand wordt hij rood.

Hoe ontstaat deze kleurverandering in een tomaat?

a)

Zetmeelkorrels worden omgezet in bladgroenkorrels

b)

Bladgroenkorrels worden omgezet in kleurstofkorrels

c)

Kleurstofkorrels worden omgezet in zetmeelkorrels

d)

Bladgroenkorrels worden omgezet in zetmeelkorrels

19.

Hoe heten cellen die zich in alle typen cellen kunnen specialiseren?

a)

Stamcellen

b)

Embryonale stamcellen

c)

Specifieke cellen

d)

Specialiserende cellen

20.

Wat is de goede volgorde van de celcyclus?

a)

Celdeling - plasmagroei - kerndeling

b)

Plasmagroei - kerndeling - celdeling

c)

Kerndeling - celdeling - plasmagroei

d)

Celdeling - kerndeling - plasmagroei

21.

Welke soort plastiden kom je vooral tegen in de cellen van een mandarijn?

a)

Bladgroenkorrels

b)

Kleurstofkorrels

c)

Zetmeelkorrels

22.

Welke onderdelen in een plantaardige cel zorgen voor stevigheid?

a)

Celmembraan en celkern

b)

Celmembraan en celwand

c)

Grote vacuole en celwand

d)

Grote vacuole en celkern

23.

Vul het woord op de puntjes in.

In de ... vindt gaswisseling plaats. Zo kan een plant CO2 opnemen en zuurstof afgeven aan de lucht.

(a)  

24.

De tussencelstof is bij veel weefsels verschillend. De tussencelstof in de hersenen is een waterige vloeistof. Wat is de functie hiervan?

a)

Stevigheid

b)

Buigzaam blijven

c)

Schokken dempen

d)

Veerkracht

25.

Bekijk het plaatje. Wat voor soort weefsel is dit?

a)

Bloedweefsel

b)

Kraakbeenweefsel

c)

Spierweefsel

d)

Zenuwweefsel

26.

Een van de functies van de hoofdwortel is stevig in de grond blijven staan (samen met de zijwortels). Wat is nog een functie van de hoofdwortel?

a)

Opnemen water en mineralen

b)

Opslag reservevoeding in de vorm van glucose

c)

Opslag reservevoeding in de vorm van zetmeel

d)

Opnemen water

27.

Hoe heet onderdeel 3 in de afbeelding

a)

Bladmoes

b)

Bladrand

c)

Bladnerf

28.

Welk van onderstaande beschrijvingen is géén functie van de wortel van een plant?

a)

Vast zetten van plant in de bodem

b)

Opnemen van koolstofdioxide in de lucht

c)

Opslaan van reservevoedsel

d)

Opnemen van water in de grond

29.

Tine zegt: Een plant slaat reservevoedsel op in de wortel. Daarmee kan de plant de winter doorkomen.

Rudy zegt: De plant neemt water en voedingsstoffen op en vervoert ze naar de bladeren. De stoffen worden vervoerd door vaatbundels.

Wie heeft er gelijk?

a)

Beide ongelijk

b)

Tine

c)

Rudy

d)

Beide gelijk

30.

Met welk deel van de plant neemt de plant water op?

a)

Met de hoofdwortel

b)

Met de zijwortel

c)

Met de wortelharen

31.

Op welk plaatje is een dierlijke cel te zien?

a)
b)
c)
d)
32.

Welke onderdelen hebben een plantencel wel maar een dierlijke cel niet? (er zijn meer antwoorden goed)

a)

celmembraan

b)

bladgroenkorrels

c)

celwand

d)

mitochondriën

e)

vacuole

33.

In een aardappel zitten bladgroenkorrels

a)

Waar

b)

Niet waar

34.

In DNA wordt de stikstofbase adenine (A) gekoppeld met:

a)

A

b)

T

c)

C

d)

G

35.

Planten hebben ook organen. Noem een orgaan van een plant. (noteer je antwoord in enkelvoud)

(a)  

36.

Welke twee functies hebben de nerven?

a)

Fotosynthese

b)

Stevigheid geven aan het blad

c)

Transport van water en voedingsstoffen

d)

Water opnemen

37.

Chromosomen liggen in de celkern en bevatten jouw erfelijke eigenschappen. Waaruit bestaan chromosomen vooral?

(a)  

38.

In het lichaam van een jongen van 12 jaar delen zich voortdurend miljoenen cellen. Waarom?

(Meerdere antwoorden zijn juist)

a)

Groeien

b)

Oude cellen vervangen

c)

Wond genezen

39.

Jan is marathonloper. Welke eigenschappen zijn erfelijk en het gevolg van zijn talent voor rennen?

a)

Zijn dieet (wat hij eet en drinkt)

b)

Bouw van zijn lichaam

c)

Hij neemt voldoende rust

40.

Bepaalde delen van het DNA van een mens bevatten informatie over de stoffen die de kleur van de ogen bepalen.


Waar bevindt zich dit DNA in een cel?

a)

celwand

b)

celkern

c)

cytoplasma

d)

celmembraan

41.

Bodybuilders hebben een gespierd lichaam.


Is het hebben van zo'n gespierd lichaam een erfelijke eigenschap?

a)

ja

b)

nee

42.

5.

In het DNA vormen de basen A, C, G en T vaste paren.


Welke paren zijn dat?

a)

A en G, C en T

b)

A en C, G en T

c)

A en T, C en G

43.

Jasper en Noah bekijken klaargemaakte preparaten van spiercellen en zenuwcellen. Het valt hen op dat de cellen er erg verschillend uitzien.

Jasper zegt dat dit komt doordat spiercellen en zenuwcellen verschillende genen hebben.

Noah zegt dat dit komt doordat bij spiercellen andere genen actief zijn dan bij zenuwcellen.

Wie heeft gelijk?

a)

Noah

b)

Jasper

44.

In de afbeelding zie je Jakobskruiskruid. Deze plant is zeer giftig voor veel zoogdieren. De plant bevat bepaalde stoffen die PA's worden genoemd. Als een dier Jakobskruiskruid eet, worden de PA's in de dunne darm omgezet in een giftige stof. Dit gif komt met het bloed onder andere in de lever terecht en kan daar het DNA in de levercellen beschadigen.


In welk organel van de levercel zal de beschadiging plaatsvinden?

a)

celwand

b)

celmembraan

c)

celkern

d)

cytoplasma

45.

Joris en Sem bekijken klaargemaakte preparaten van levercellen en huidcellen van een koe. Het valt hen op dat de cellen er erg verschillend uitzien.

Joris zegt dat de levercellen en huidcellen dezelfde chromosomen hebben, maar dat bij levercellen een ander deel van de chromosomen actief is dan bij huidcellen.

Sem zegt dat dit komt doordat levercellen en huidcellen verschillende chromosomen hebben.

Wie heeft gelijk?

a)

Joris

b)

Sem

c)

beide hebben gelijk

46.

De celdeling wordt geregeld vanuit:

a)

cytoplasma

b)

chromosomen

c)

celmembraan

d)

vacuole

47.

Je oogkleur erf je van je ouders, dit noem je een

a)

erfelijkheid

b)

overerving

c)

erfelijke eigenschap

d)

chromosoom

48.

De volgende delen heeft een plantaardige cel wel en een dierlijke cel niet (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

celwand

b)

celkern

c)

vacuole

d)

kleurstofkorrels

49.

Plantaardige cellen hebben een celmembraan en dierlijke cellen niet

a)

juist

b)

onjuist

50.

Voorbeelden van plastiden zijn (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

bladgroenkorrels

b)

cytoplasma

c)

zetmeelkorrels

d)

zoutkorrels

e)

kleurstofkorrels

51.

Wat is een gen?

a)

Een deel van een chromosoom dat codeert voor een bepaalde eigenschap.

b)

Een deel van een allel dat codeert voor een bepaalde eigenschap.

c)

Een deel van een eigenschap dat codeert voor een bepaald allel.

d)

Een deel van een basenpaar dat codeert voor een bepaalde eigenschap.

52.

Genen kunnen 'aan' of 'uit' staan. Staat het gen voor haarkleur aan in je nieren?

a)

Ja

b)

Nee

53.

Lichaamscellen van de mens bevatten hoeveel chromosomen?

a)

23

b)

46

c)

92

d)

12

54.

Tijdens welke fase van de celcyclus zijn de chromosomen met een microscoop zichtbaar?

a)

het leven van de cel

b)

bij plasmagroei

c)

celdeling

d)

specialisatie

55.

Welke combinatie basenparen is juist?

a)

A-G

b)

A-T

c)

T-C

d)

A-C

56.

Welke combinatie basenparen is juist?

a)

T-G

b)

C-T

c)

C-G

d)

A-C

57.

Wat is een basenpaar?

a)

Een streng van de 'wenteltrap'

b)

dat bepaalt bv de kleur van je ogen

c)

een trede van de 'wenteltrap'

d)

deze zorgen ervoor dat je chromosomen soms met een microscoop zichtbaar zijn

58.

Een cel met een bepaalde functie, noem je een

a)

moedercel

b)

dochtercel

c)

gespecialiseerde cel

d)

stamcel

59.

Cellen die zorgen voor groei en herstel van je lichaam, noemen we

a)

gespecialiseerde cel

b)

stamcel

c)

moedercel

d)

dochtercel

60.

Hoe noemen we een cel waaruit alle verschillende typen cellen kunnen ontstaan?

a)

embryonale stamcel

b)

stamcel

c)

moedercel

d)

gespecialiseerde cel

61.

Hoe noemen we het proces waarbij dochtercellen net zo groot worden als de moedercel?

a)

groei

b)

ontwikkeling

c)

specialisatie

d)

plasmagroei

62.

dunne uitstulpingen aan de uiteinden van wortels

a)

zijwortels

b)

knollen

c)

haarwortels

d)

pluis

63.

Dit pantoffeldiertje bestaat uit één cel, mag je dit een organisme noemen?

a)

Ja

b)

Nee

64.

Na de mitose zijn er twee cellen gevormd, hoe noem je deze cellen?

a)

Een moedercel en een dochtercel

b)

Beide cellen heten nu dochtercellen

65.

Welke stelling is correct?

a)

Na de gewone celdeling bevatten beide gevormde cellen dezelfde erfelijke informatie

b)

Na de gewone celdeling zijn twee cellen ontstaan met verschillende erfelijke informatie

c)

Bij elke celdeling gaat er wat erfelijke informatie verloren

66.

Hoe wordt het eencellige diertje die op de afbeelding te zien is genoemd?

a)

amoebe

b)

ameube

c)

pantoffeldiertje

d)

amoebbe

67.

Op de afbeelding hiernaast is een amoebe weergegeven die zich voedt.


Wat wordt er aangegeven met de letter A?

a)

celmembraan

b)

cytoplasma

c)

voedingsvacuole

d)

bacterie

e)

schijnvoetje

68.

Op de afbeelding hiernaast is een amoebe weergegeven die zich voedt.


Wat wordt er aangegeven met de letter B?

a)

celmembraan

b)

cytoplasma

c)

voedingsvacuole

d)

bacterie

e)

schijnvoetje

69.

Hoe beweegt een amoebe zich voort?

a)

De amoebe heeft trilhaartjes op het celmembraan die helpen bij voortbewegen.

b)

De vacuole wordt een bepaalde richting op geduwd en daardoor beweegt een amoebe zich voort.

c)

Het cytoplasma wordt verplaatst, waardoor een amoebe zich kan voortbewegen.

d)

Een amoebe heeft een soort van voetjes (schijnvoetjes). Daarmee loopt de amoebe, dus voortbewegen.

70.

Hoe neemt een amoebe voeding (andere eencellige diertjes) waar?

a)

Een amoebe heeft net als wij ogen waarmee hij een ander eencellig diertje kan zien.

b)

Een amoebe heeft een soort van neus waarmee hij een ander eencellig diertje mee kan ruiken.

c)

Een amoebe kan met zijn celmembraan een ander eencellig diertje voelen.

71.

Een voedingsvacuole van een amoebe is vergelijkbaar met de vacuole in plantencellen.

a)

juist

b)

onjuist