wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Erfelijkheid

Total questions: 66

Worksheet time: 2hrs 15mins

Name
Class
Date
1.
Bij maïsplanten komt een dominant gen R voor dat er voor zorgt dat maïskorrels heel hard worden. Een plant met genotype Rr wordt gekruisd met een andere plant met genotype Rr.
Hoeveel procent de maïsplanten in de F1 heeft harde zaden?
a)
25%
b)
50%
c)
75%
d)
82,2%
2.
De Indische wandelende tak (zie de afbeelding) is een insect dat je als huisdier kunt houden. Een volwassen vrouwtje leeft enkele maanden en legt elke dag twee of drie eieren. De eieren hoeven niet te worden bevrucht. Uit elk eitje ontwikkelt zich een vrouwtje dat precies op de moeder lijkt.
Van welke vorm van voortplanting is hier sprake?
a)
Geslachtelijke voortplanting
b)
Ongeslachtelijke voortplanting
3.
Zaadcellen worden gevormd door ?
a)
Meiose 
b)
Mitose 
c)
Gewone celdeling 
4.

Wat voor DNA zit er in je oogcellen?

a)

alleen DNA voor de kenmerken van het oog

b)

Dat ligt er aan waar in het oog het ligt

c)

Dat kan je niet weten

d)

Alle informatie van je DNA

5.
Een eeneiige tweeling is niet identiek.
a)
waar
b)
niet waar
6.

Een gen is

a)

alle erfelijke eigenschappen

b)

1 erfelijke eigenschap

c)

al het DNA

7.

Een vrouw heeft

a)

XX chromosomen

b)

XY chromosomen

c)

YY chromosomen

8.

Een recessieve eigenschap schrijven we als:

a)

kleine letter

b)

hoofdletter

9.

een eigenschap opgeschreven als Dd

a)

homozygoot dominant

b)

homozygoot recessief

c)

heterozygoot

d)

heterozygoot dominant

10.

Een wipneus is dominant over rechte neus.

Een homozygote dominante moeder, en een homozygote recessieve vader krijgen een kindje

a)

dit kindje heeft een rechte neus

b)

dit kindje heeft een wipneus

c)

je weet niet wat dit kindje voor neus heeft

11.

Iedere eigenschap staat ... keer in het DNA

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

12.
Hoe heet een organisme die voor een bepaalde eigenschap identieke allelen heeft?
a)
Een bacterie
b)
Een recessief organisme
c)
Een homozygoot organisme
d)
Een heterozygoot organisme
13.

Dit plaatje is een voorbeeld van verandering in

a)

Genotype

b)

Fenotype

c)

Dna

d)

Milieu

14.

Een recessief allel komt tot uiting wanneer

a)

Hij samen met een dominant allel staat

b)

Hij homozygoot voorkomt

c)

Hij heterozygoot voorkomt

d)

hij komt nooit tot uiting

15.

Wanneer een dier BB voor een eigenschap heeft dan is hij

a)

Homozygoot Dominant

b)

Heterozygoot Recessief

c)

Homozygoot recessief

d)

Heterozygoot Recessief

16.
Kleurenblindheid is een recessieve aandoening. We kunnen dan zeggen dat kleurenblindheid ontstaat bij mensen met:
a)
Twee zwakke genen (a-a)
b)
Twee sterke genen (A-A)
c)
Twee ongelijke genen (A-a)
d)
Als hij altijd ziek wordt
17.
Je ziet in de afbeelding een krokusknol met enkele scheuten. De scheuten kunnen van de knol worden gehaald en verder groeien als afzonderlijke planten.
Welke bewering over de jonge planten is juist?
a)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
b)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
c)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
d)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
18.

Verandert bij celdeling de informatie voor erfelijke eigenschappen?

a)

ja

b)

nee

19.

Wanneer komt het genotype van een baby tot stand?

a)

bij de vorming van de eicel

b)

bij de bevruchting

c)

bij de geboorte

20.

Een dominant gen komt altijd tot uiting

a)

Juist

b)

Onjuist

21.

Onderdelen in een organisme zijn: celkern, DNA, chromosoom, gen en cel. Zet deze organismen in de goede volgorde, het kleinste eerst, het grootste als laatste.

a)

DNA - Gen - Cel - Chromosoom - Celkern

b)

Gen - DNA - Chromosoom - Celkern - Cel

c)

Gen - Chromosoom - DNA - Celkern - Cel

d)

Chromosoom - DNA - Celkern - Gen - Cel

22.

Waardoor ontstaat het fenotype?

a)

genotype

b)

invloeden uit het milieu

c)

geen van beiden

d)

zowel genotype als invloeden vanuit het milieu

23.

In de afbeelding hieronder is de stamboom van een familie gegeven waarin de ziekte agammaglobulinemie voorkomt. Lijders aan deze erfelijke ziekte zijn verhoogd vatbaar voor infecties. Het gen dat deze ziekte veroorzaakt is .....

a)

dominant

b)

recessief

c)

Niet af te lijden

24.

Een merel (Bb) heeft een wit vlekje op zijn vleugel. Deze merel krijgt jongen met een vrouwtje (bb) zonder witte vlek. Hoe groot is de kans dat het eerste kuiken wat geboren wordt een wit vlekje op zijn veren heeft?

a)

25%

b)

50%

c)

75%

d)

100%

25.

Bij een kikker bevatten bepaalde cellen per kern in totaal 13 chromosomen.


Zijn deze cellen geslachtscellen of lichaamscellen?

a)

geslachtscellen

b)

lichaamscellen

26.

Welke bewering is juist?

a)

het fenotype is de som van de zichtbare eigenschappen van het genotype plus de invloed van het milieu

b)

het fenotype is de som van de zichtbare eigenschappen van het genotype zonder de invloed van het milieu

c)

het genotype is de som van de zichtbare eigenschappen van het fenotype zonder de invloed van het milieu

d)

het genotype is de som van de zichtbare eigenschappen van het fenotype plus de invloed van het milieu

27.

Twee uitspraken:


Menno zegt: De celkern van een levercel bevat de complete informatie voor al je erfelijke eigenschappen.

Annie zegt: Een gen bevat de informatie voor meerdere erfelijke eigenschappen'


Wie heeft gelijk?

a)

Beide gelijk

b)

Menno heeft gelijk

c)

Annie heeft gelijk

d)

Geen van beide heeft gelijk

28.

Is dit karyogram (chromosoomportret) van een man of een vrouw?

a)

man

b)

vrouw

29.

In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir en zijn moeder. Heeft het jonge dier hetzelfde fenotype als het volwassen dier?

a)

juist

b)

onjuist

30.

Sara heeft een broertje Thijs en een zusje Anna. Hebben Sara, Thijs en Anna hetzelfde DNA?

a)

juist

b)

onjuist

31.

Hoeveel chromosomen heeft een cel van de maagwand?

a)

2

b)

23

c)

46

d)

Dat kun je niet weten

32.

John heeft veel getraind. Zijn spieren zijn hierdoor dik geworden. Is er bij John het fenotype veranderd?

a)

Zeker

b)

nee, dat verandert nooit

33.

Alle zichtbare eigenschappen van een organisme noemen we

a)

Fenotype

b)

Genotype

34.

Geslachtschromosomen bepalen of je man bent of vrouw. Welke combinatie is juist.

a)

XY = vrouw

b)

XY = man

35.

Hoeveel genen heb je voor een eigenschap?

a)

1

b)

2

c)

23

d)

46

36.

Als de erfelijke informatie voor een eigenschap hetzelfde is ben je

a)

Homozygoot

b)

Heterozygoot

37.

Een dominant gen komt altijd tot uiting

a)

Juist

b)

Onjuist

38.

Een eeneiige tweeling ontstaat uit....

a)

Een eicel en een zaadcel

b)

Een eicel en twee zaadcellen

c)

Twee eicellen en een zaadcel

d)

Twee eicellen en twee zaadcellen

39.

John heeft veel getraind. Zijn spieren zijn hierdoor beter ontwikkeld. Is het genotype van John veranderd?

a)

Ja

b)

Nee

40.

Is de persoon van het karyogram een jongen of een meisje?

a)

Jongen

b)

Meisje

41.

Een kat heeft in een lichaamcel 38 chromosomen. Hoeveel zitten er dan is een geslachtscel?

a)

38

b)

19

c)

18

d)

76

42.

Een bioloog bepaald het aantal chromosomen van een cel onder de microscoop. Zij telt er 21. Welke conclusie kun je nu trekken?

a)

Dit is een geslachtscel

b)

Dit is een lichaamscel

c)

Dit kan een lichaamscel of een geslachtscel zijn

43.
Pim heeft een broertje Thijs en een zusje Anna.  Hebben Pim, Thijs en Anna hetzelfde DNA? 
a)
juist
b)
onjuist
44.
Kunnen door mutaties en geslachtelijke voortplanting organismen ontstaan met nieuwe genotypen?
a)
juist
b)
onjuist
45.
Heeft een lichaamscel van een mens 46 chromosomen?
a)
juist
b)
onjuist
46.
Is een albino een mutant? 
a)
juist
b)
onjuist
47.
Is straling een mutagene invloed?
a)
juist
b)
onjuist
48.

Een koe heeft voor vachtkleur genotype Bb

a)

de koe is bruin want bruin is dominant

b)

de koe is heterozygoot voor vachtkleur

c)

de koe is wit van vacht

d)

Dit kan je niet weten: te weinig informatie

49.

genotype bb noemen we

a)

homozygoot dominant

b)

heterozygoot

c)

homozygoot recessief

d)

dit kan je niet weten: te weinig info

50.
Kleurenblindheid is een recessieve aandoening. We kunnen dan zeggen dat kleurenblindheid ontstaat bij mensen met:
a)
Twee zwakke genen (a-a)
b)
Twee sterke genen (A-A)
c)
Twee ongelijke genen (A-a)
d)
Als hij altijd ziek wordt
51.
Bij maïsplanten komt een dominant gen R voor dat er voor zorgt dat maïskorrels heel hard worden. Een plant met genotype Rr wordt gekruisd met een andere plant met genotype Rr.
Hoeveel procent de maïsplanten in de F1 heeft harde zaden?
a)
25%
b)
50%
c)
75%
d)
82,2%
52.

Twee ouders (Aa x Aa) paren en krijgen nakomelingen.

Hoe groot is de kans dat de nakomelingen in de F1 het genotype AA heeft?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

75%

e)

100%

53.

Twee ouders (Aa x Aa) paren en krijgen nakomelingen.

Hoe groot is de kans dat de nakomelingen in de F1 het genotype aa heeft?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

75%

e)

100%

54.

Bij muizen is het gen voor een zwarte vacht (H) dominant over het gen voor een witte vacht (h). Een zwarte vrouwtjesmuis die homozygoot voor de vachtkleur is, wordt gekruist met een wit mannetje.


Wat zijn de genotypen van de ouders?

a)

mannetje hh x vrouwtje HH

b)

mannetje HH x vrouwtje hh

c)

Hh x Hh

55.

Bij muizen is het gen voor een zwarte vacht (H) dominant over het gen voor een witte vacht (h). Een zwarte vrouwtjesmuis die homozygoot voor de vachtkleur is, wordt gekruist met een wit mannetje.


Welk fenotype hebben de nakomelingen in de F1?

a)

Wit

b)

Zwart

c)

Grijs

56.

Waar in je lichaam komen genen voor?

a)

Niet in geslachtscellen en niet in lichaamscellen

b)

Alleen in geslachtscellen

c)

Alleen in lichaamscellen

d)

In alle lichaamscellen en geslachtscellen

57.

Waar zijn genen van gemaakt?

a)

Ze zijn gemaakt van chromatiden

b)

Ze zijn gemaakt van chromosomen

c)

Ze zijn gemaakt van DNA

58.
Zaadcellen worden gevormd door ?
a)
Meiose 
b)
Mitose 
c)
Gewone celdeling 
59.

Een vrouw heeft

a)

XX chromosomen

b)

XY chromosomen

c)

YY chromosomen

60.

Hoe geven bij een kruising de ouders aan?

a)

Met F1

b)

Met F2

c)

Met P

61.

Hoe geven bij een kruising de eerste generatie nakomelingen aan?

a)

Met F1

b)

Met F2

c)

Met P

62.

Je genotype kun je veranderen

a)

waar

b)

niet waar

63.

Hoeveel chromosoomparen zitten er in een geslachtscel van de mens?

a)

23

b)

46

c)

zitten geen paren in, zijn enkel

64.

In een eicel zit erfelijk materiaal van vader en moeder

a)

waar

b)

niet waar

65.

Als je een bruin kleurtje hebt gekregen van de zon, dan is je ............veranderd.

a)

fenotype

b)

genotype

66.

Chromosomen zitten in ...............

a)

Het DNA

b)

de genen

c)

de celkern