wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Quiz verbindingen

Total questions: 80

Worksheet time: 53mins

Name
Class
Date
1.

Klik de organisme(n) aan die lijm op de volgende manier gebruiken:


Ik gebruik lijm om mijn prooien te vangen.

a)

spinnen

b)

mosselen

c)

zwaluwen

d)

wespen

e)

zonnedauw (vleesetende plant)

2.

Klik de organisme(n) aan die lijm op de volgende manier gebruiken:


Ik gebruik lijm om mijn nest te bouwen.

a)

spinnen

b)

mosselen

c)

zwaluwen

d)

wespen

e)

hagedissen

3.

Klik de organisme(n) aan die lijm op de volgende manier gebruiken:


Ik gebruik lijm om op de zelfde plaats te blijven staan of om me te verplaatsen.

a)

spinnen

b)

mosselen

c)

zwaluwen

d)

wespen

e)

hagedissen

4.

Mensen zijn ook dieren en gebruiken ook lijm. Waarvoor gebruiken mensen lijm?


Klik het juiste antwoord aan.

a)

lijm zorgt voor stevigheid in botten

b)

lijm zorgt voor buigzaamheid in botten

c)

lijm zorgt ervoor dat spieren aan botten vastzitten

d)

lijm zorgt ervoor dat pezen aan botten vastzitten

5.

Klik de juiste antwoorden aan over de botten van prinses Beatrix.

a)

Mijn botten breken sneller dan die van mijn kleindochters.

b)

Mijn botten breken minder snel dan die van mijn kleindochters.

c)

Mijn botten zijn flexibeler dan die van mijn kleindochters.

d)

Mijn botten zijn minder flexibel dan die van mijn kleindochters.

6.

Klik het juiste antwoord aan over de botten van prinses Beatrix.

a)

Mijn botten bevatten veel kalkzouten, maar weinig lijmstoffen.

b)

Mijn botten bevatten weinig kalkzouten, maar veel lijmstoffen.

c)

Mijn botten bevatten veel kalkzouten, maar geen lijmstoffen.

d)

Mijn botten bevatten geen kalkzouten, maar veel lijmstoffen.

e)

Mijn botten bevatten weinig kalkzouten, maar geen lijmstoffen.

7.

Klik de juiste antwoorden aan over de botten van prinses Beatrix.

a)

Mijn botten breken sneller dan die van mijn oma.

b)

Mijn botten breken minder snel dan die van mijn oma.

c)

Mijn botten zijn flexibeler dan die van mijn oma.

d)

Mijn botten zijn minder flexibel dan die van mijn oma.

8.

Klik het juiste antwoord aan over de botten van de jongste prinses Ariane.

a)

Mijn botten bevatten veel kalkzouten, maar weinig lijmstoffen.

b)

Mijn botten bevatten weinig kalkzouten, maar veel lijmstoffen.

c)

Mijn botten bevatten veel kalkzouten, maar geen lijmstoffen.

d)

Mijn botten bevatten geen kalkzouten, maar veel lijmstoffen.

e)

Mijn botten bevatten veel kalkzouten en veel lijmstoffen.

9.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

10.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

11.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

12.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

13.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

14.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

15.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

16.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

17.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

18.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

19.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

20.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

21.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

22.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

23.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

24.

Elke verbinding heeft een doel.


Welk doel van de verbinding past het beste bij de juiste eigenschap van verbindingen?

a)

Montage - Demontage

b)

Beweegbaarheid

c)

Sterkte

25.

Elke verbinding heeft een doel.


Welk doel van de verbinding past het beste bij de juiste eigenschap van verbindingen?

a)

Montage - Demontage

b)

Beweegbaarheid

c)

Sterkte

26.

Elke verbinding heeft een doel.


Welk doel van de verbinding past het beste bij de juiste eigenschap van verbindingen?

a)

Montage - Demontage

b)

Beweegbaarheid

c)

Sterkte

27.

Elke verbinding heeft een doel.


Welk doel van de verbinding past het beste bij de juiste eigenschap van verbindingen?

a)

Montage - Demontage

b)

Beweegbaarheid

c)

Sterkte

28.

Elke verbinding heeft een doel.


Welk doel van de verbinding past het beste bij de juiste eigenschap van verbindingen?

a)

Montage - Demontage

b)

Beweegbaarheid

c)

Sterkte

29.

Typ de juiste eigenschap van verbindingen die past bij de volgende zin:


Het kastje moet open en dicht kunnen.

(a)  

30.

Typ de juiste eigenschap van verbindingen die past bij de volgende zin:


Op de tribune moeten 100 mensen kunnen zitten zonder dat het instort.

(a)  

31.

Typ de juiste eigenschap van verbindingen die past bij de volgende zin:


De jas moet open en dicht gaan d.m.v. een rits.

(a)  

32.

Kies de juiste stofeigenschappen van hout.

a)

relatief licht

b)

sterk

c)

beweegbaarheid

d)

montage-demontage

e)

tandverbinding

33.

Typ de naam van de houtverbinding die je op de afbeelding ziet.

(a)  

34.

Typ de naam van de houtverbinding die je op de afbeelding ziet.

(a)  

35.

Typ de naam van de houtverbinding die je op de afbeelding ziet.

(a)  

36.

Tik de naam van de knoop aan die je op de afbeelding ziet.

a)

platte knoop

b)

dubbele vissermanknoop

c)

stropdasknoop

d)

armbandknoop

37.

Tik de naam van de knoop aan die je op de afbeelding ziet.

a)

platte knoop

b)

dubbele vissermanknoop

c)

stropdasknoop

d)

armbandknoop

38.

Tik de naam van de knoop aan die je op de afbeelding ziet.

a)

platte knoop

b)

dubbele vissermanknoop

c)

stropdasknoop

d)

armbandknoop

39.

Tik de naam van de knoop aan die je op de afbeelding ziet.

a)

platte knoop

b)

dubbele vissermanknoop

c)

stropdasknoop

d)

armbandknoop

40.

Tik de vorm(en) aan die botten stevig maken.

a)

Een bot dat hol is.

b)

Een bot met een boog erin.

c)

Een bot dat niet hol is.

d)

Een bot zonder boog erin.

41.

Typ de naam van de beenverbinding die je op de afbeelding ziet.

(a)  

42.

Typ de naam van de beenverbinding die je op de afbeelding ziet.

(a)  

43.

Typ de naam van de beenverbinding die je op de afbeelding ziet.

(a)  

44.

Typ de naam van de beenverbinding die je op de afbeelding ziet.

(a)  

45.

Typ de naam van onderdeel 1 die aangegeven is in de afbeelding van het gewricht.

(a)  

46.

Typ de naam van onderdeel 2 die aangegeven is in de afbeelding van het gewricht.

(a)  

47.

Typ de naam van onderdeel 3 die aangegeven is in de afbeelding van het gewricht.

(a)  

48.

Typ de naam van onderdeel 4 die aangegeven is in de afbeelding van het gewricht.

(a)  

49.

Typ de naam van onderdeel 5 die aangegeven is in de afbeelding van het gewricht.

(a)  

50.

Typ de naam van onderdeel 6 die aangegeven is in de afbeelding van het gewricht.

(a)  

51.

Klik het de juiste naam aan van onderdeel 1 van het gewricht op de afbeelding.

a)

gewrichtskom

b)

gewrichtskogel

c)

gewrichtssmeer

d)

gewrichtskapsel

e)

kraakbeenlaagje

52.

Klik het de juiste naam aan van onderdeel 3 van het gewricht op de afbeelding.

a)

gewrichtskom

b)

gewrichtskogel

c)

gewrichtssmeer

d)

gewrichtskapsel

e)

kraakbeenlaagje

53.

Klik het de juiste naam aan van onderdeel 4 van het gewricht op de afbeelding.

a)

gewrichtskom

b)

gewrichtskogel

c)

gewrichtssmeer

d)

gewrichtskapsel

e)

kraakbeenlaagje

54.

Klik het de juiste naam aan van onderdeel 5 van het gewricht op de afbeelding.

a)

gewrichtskom

b)

gewrichtskogel

c)

gewrichtssmeer

d)

gewrichtskapsel

e)

kraakbeenlaagje

55.

Klik het de juiste naam aan van onderdeel 6 van het gewricht op de afbeelding.

a)

gewrichtskom

b)

gewrichtskogel

c)

gewrichtssmeer

d)

gewrichtskapsel

e)

kraakbeenlaagje

56.

Klik het de juiste naam aan van onderdeel 6 van het gewricht op de afbeelding.

a)

gewrichtskom

b)

gewrichtskogel

c)

gewrichtssmeer

d)

gewrichtskapsel

e)

kapselband

57.

Tik de verbinding aan waarmee de botten op de afbeelding mee verbonden zijn.

a)

gewrichten

b)

naadverbinding

c)

kraakbeen

d)

vergroeid

58.

Tik de verbinding aan waarmee de botten op de afbeelding mee verbonden zijn.

a)

gewrichten

b)

naadverbinding

c)

kraakbeen

d)

vergroeid

59.

Tik de verbinding aan waarmee de botten op de afbeelding mee verbonden zijn.

a)

gewrichten

b)

naadverbinding

c)

kraakbeen

d)

vergroeid

60.

Tik de verbinding aan waarmee de botten op de afbeelding mee verbonden zijn.

a)

gewrichten

b)

naadverbinding

c)

kraakbeen

d)

vergroeid

61.

De wervelkolom werkt als een ...

a)

schokbreker

b)

schokvanger

c)

schokker

d)

schokking

62.

De wervelkolom bestaat uit ...

a)

wervels

b)

tussenwervelschijven

c)

ribben

d)

ruggenmerg

63.

Tussenwervelschijven bestaan uit ...

a)

kraakbeen

b)

lijmstof

c)

kalkzouten

d)

dubbele S-vorm

64.

Wervels bestaan uit ...

a)

kraakbeen

b)

lijmstof

c)

kalkzouten

d)

dubbele S-vorm

65.

Klik de juiste vorm van de wervelkolom aan.

a)

dubbele zesvorm

b)

dubbele V-vorm

c)

dubbele W-vorm

d)

dubbele S-vorm

66.

Klik aan of de jongen op de afbeelding goed of fout tilt.

a)

goed

b)

fout

67.

Klik aan of de jongen op de afbeelding goed of fout tilt.

a)

goed

b)

fout

68.

Welke vorm zorgt voor stevigheid van platte botten?

a)

boogvorm

b)

holle vorm

c)

cirkelvorm

d)

hoekigevorm

69.

Typ de naam van de eenheid van temperatuur (T).

(a)  

70.

Typ de naam van de eenheid van temperatuur (T).

(a)  

71.

Klik het juiste symbool aan voor de grootheid temperatuur (T).

a)

°\degree  C

b)

C 22  

c)

C 33  

72.

Klik de temperatuur aan die Anders Celsius het vriespunt noemt.

a)

0 °C

b)

-1 °C

c)

100 °C

d)

50 °C

73.

Klik de temperatuur aan die Anders Celsius het kookpunt noemt.

a)

0 °C

b)

-1 °C

c)

100 °C

d)

50 °C

74.

Klik de onderdelen aan waaruit het zenuwstelsel bestaat.

a)

centrale zenuwstelsel

b)

perifere zenuwstelsel

c)

zintuigen

d)

zenuwen

75.

Klik de onderdelen aan waaruit het centrale zenuwstelsel bestaat.

a)

hersenen

b)

ruggenmerg

c)

zenuwen

d)

zintuigen

76.

Klik de onderdelen aan waaruit het perifere zenuwstelsel bestaat.

a)

hersenen

b)

ruggenmerg

c)

zenuwen

d)

zintuigen

77.

Klik voorbeelden van zintuigen aan.

a)

neus

b)

horen

c)

pijnpunt

d)

drukzintuig

78.

Typ de naam in van de plant die voedsel vangt met lijm.

(a)  

79.

Wat zorgt ervoor dat een gewricht soepel kan bewegen?

a)

gewrichtskom

b)

gewrichtskogel

c)

gewrichtssmeer

d)

gewrichtskapsel

e)

kraakbeenlaagje

80.

Klik de juiste functies van het skelet aan.

a)

vorm geven aan het lichaam

b)

stevigheid geven aan het lichaam

c)

bescherming van het lichaam

d)

beweging mogelijk maken