wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling theorie deeltaak 3

Total questions: 19

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Een gebeurtenis kun je beschrijven aan de hand van de 5w + h-vragen. Welke vragen zijn dit precies?

a)

Wat, wie, waar, wanneer en hoezo?

b)

Wat, wie, waar, wanneer, waarom?

c)

Wat, wie, waar, wanneer, waarom en hoe?

d)

Hoezo, hoe, hoe dan en waarom?

2.

Vertel je verhaal in chronologische volgorde. Wat is een chronologische volgorde?

a)

Chronologisch betekent het verleden

b)

Chronologisch betekent dat de tijd niet klopt

c)

Chronologisch betekent naar tijdsvolgorde

3.

Selecteer alle volgordewoorden:

a)

Eerst

b)

Daarna

c)

Vervolgens

d)

Jammer

e)

Ten slotte

4.

Hoe kun je de persoonsvorm vinden? Vink alle juiste mogelijkheden aan.

a)

De zin opschrijven.

b)

De zin vragend maken.

c)

De zin in enkelvoud of meervoud zetten.

d)

De zin in een andere tijd zetten.

5.

Wat is in de volgende zin de persoonsvorm?


Annabel fietst naar huis.

(a)  

6.

Wat is het onderwerp in de volgende zin?


Sara studeert in Nijmegen.

(a)  

7.

Wanneer er geen persoonsvorm is, kun je de ....... gebruiken.


Bijvoorbeeld: paarden > paard

planten > plant


Wat moet er op de puntjes staan?

a)

onderwerpsregel

b)

vraagzin

c)

verlengproef

8.

Wat is de stam van het werkwoord 'worden'?

(a)  

9.

Welke zin is juist?

a)

Loop je naar huis?

b)

Loopt je naar huis?

10.

Welke zin is juist?

a)

Je word morgen door mijn vader geholpen.

b)

Je wordt morgen door mijn vader geholpen.

11.

Hoe noemen we werkwoorden die veranderen van klank?

(a)  

12.

Sterke werkwoorden veranderen van klank. Is zwemmen een sterk werkwoord?

a)

Ja

b)

Nee

13.

Als je wilt weten of een werkwoord in de v.t een -d of -t krijgt, kun je gebruikmaken van 't ex kofschip.


Wat moet er op de puntjes komen te staan?

Verven> Ik ver….het huis

(a)  

14.

De bakker (vinden t.t.) stokbrood bakken het leukste.

a)

vinden

b)

vindt

c)

vind

d)

vint

15.

De jongens (wachten v.t.) gisteren lang op de trein.

a)

wagte

b)

wacht

c)

wachten

d)

wachtten

e)

wachtte

16.

(Beantwoorden t.t) jij deze vraag goed?

a)

beantwoord

b)

beantwoort

c)

beantwoordt

17.

Die jongen (lachen (t.t.) al als je naar hem kijkt.

a)

lachen

b)

lachtte

c)

lacht

18.

Het nieuwtje (verspreiden v.t) zich snel door de school.

a)

verspreid

b)

verspreidt

c)

verspreide

d)

verspreidde

19.

Ik vond deze terugblik op deeltaak 3

a)

heel makkelijk

b)

best wel makkelijk

c)

heel erg lastig

d)

best lastig