wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4GT §9.3, §9.4 ziekten bestrijden & Bloed- en orgaandonatie

Total questions: 22

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.
Wat zit er in een vaccin?
a)
Medicijnen
b)
Antistoffen
c)
Verzwakte ziekteverwekkers
d)
Goede bacteriën
2.

Natuurlijke immuniteit is...

a)

wanneer je natuurlijke antistoffen ingespoten krijgt

b)

wanneer je kunstmatige antistoffen ingespoten krijgt

c)

wanneer je zelf natuurlijke antistoffen maakt

d)

wanneer je zelf kunstmatige antistoffen maakt

3.

Kunstmatige immuniteit is...

a)

...als je een vaccin toegediend krijgt

b)

...als je witte bloedcellen ingespoten krijgt

c)

...als jouw lichaam zelf antistoffen aanmaakt na een vaccinatie

d)

... als jouw lichaam zelf antigenen aanmaakt na een vaccinatie

4.

Een serum is een injectie met

a)

antistoffen

b)

antigenen

c)

verzwakte ziekteverwekkers

d)

geheugencellen

5.

Welke vorm van immunisatie is: een vaccinatie?

a)

actief, natuurlijk

b)

actief, kunstmatig

c)

passief, natuurlijk

d)

passief, kunstmatig

6.

Welke vorm van immunisatie is: een besmetting met een ziekteverwekker?

a)

actief, natuurlijk

b)

actief, kunstmatig

c)

passief, natuurlijk

d)

passief, kunstmatig

7.

Welke vorm van immunisatie is: het ongeboren kind krijgt antistoffen via de placenta

a)

actief, natuurlijk

b)

actief, kunstmatig

c)

passief, natuurlijk

d)

passief, kunstmatig

8.

Welke vorm van immunisatie is: een seruminjectie bij bijvoorbeeld een slangenbeet.

a)

actief, natuurlijk

b)

actief, kunstmatig

c)

passief, natuurlijk

d)

passief, kunstmatig

9.

Antibiotica

a)

beschadigen celwanden van bacteriën

b)

voorkomen dat bacteriën in onze cellen komen

c)

bevatten antistoffen tegen antigenen

10.

Hooikoorts is een voorbeeld van een

a)

allergie

b)

infectie met bacteriën

c)

infectie met virussen

d)

auto-immuunziekte

11.

Reuma is een voorbeeld van een

a)

allergie

b)

infectie met bacteriën

c)

infectie met virussen

d)

auto-immuunziekte

12.

In het bloed van iemand met bloedgroep A zit

a)

antistof A

b)

antistof B

c)

antistof A en antistof B

d)

geen antistof

13.

In het bloed van iemand met bloedgroep B zit

a)

antistof A

b)

antistof B

c)

antistof A en antistof B

d)

geen antistof

14.

In het bloed van iemand met bloedgroep AB zit

a)

antistof A

b)

antistof B

c)

antistof A en antistof B

d)

geen antistof

15.

In het bloed van iemand met bloedgroep 0 zit

a)

antistof A

b)

antistof B

c)

antistof A en antistof B

d)

geen antistof

16.

Een patiënt met bloedgroep AB kan bloedcellen ontvangen van

a)

donor bloedgroep A

b)

donor bloedgroep B

c)

donor bloedgroep AB

d)

donor bloedgroep 0

17.

Een patiënt met bloedgroep 0 kan bloedcellen ontvangen van

a)

donor bloedgroep A

b)

donor bloedgroep B

c)

donor bloedgroep AB

d)

donor bloedgroep 0

18.

De + of - in je bloedgroep betekent

a)

resuspositief of resusnegatief

b)

als je bloed getest is heb je een +

c)

als je een bloedafwijking hebt heb je een -

d)

als een vrouw zwanger is, is ze altijd -

19.

Een patiënt met bloedgroep 0- kan alleen bloed ontvangen van

(a)  

20.

Een patiënt met bloedgroep A- kan bloed ontvangen van

(a)  

21.

Alle delen van je lichaam kun je doneren.

a)

Waar

b)

Niet waar

22.

Wat is een risico bij orgaandonatie?

a)

Orgaanafstoting

b)

Te weinig opbrengst

c)

De patiënt overlijdt

d)

Het orgaan kan over datum zijn