wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

6 economie

Total questions: 35

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Hoeveel bedraagt de huidige inflatie in België?

a)

5,46%

b)

5,61%

c)

5,64%

d)

5,56%

2.

Wat is GEEN welvaartsindicator

a)

Kindersterfte

b)

Koopkracht

c)

BBP per capita

d)

levensverwachting

3.

Welke van de volgende leasingvormen bestaat niet?

a)

Financiële leasing

b)

Private leasing

c)

Technologische leasing

4.

Wat zit niet in de monetaire aggregaat M2?

a)

Giraal geld

b)

Geldhoeveelheid M1

c)

Deposito's op korte termijn

d)

Deposito's op lange termijn

5.

Lithium batterijen worden duurder. Welk effect heeft dit op de Tesla-aandelen?

a)

Koers zal stijgen

b)

Koers zal dalen

c)

Dit zal geen effect hebben op de koers

6.

Wat is de juiste omschrijving van venture capital?

a)

Durfkapitaal, investeren in nieuwe economieën met grote groeiperspectieven maar ook enorme risico's.

b)

Geldsom die aandeelhouder aan de onderneming geeft bij uitgifte van de aandelen.

c)

Prijs van het aandeel die iedere dag wordt gevormd door vraag en aanbod.

d)

Waarde die het aandeel na verloop van tijd in de balans krijgt.

7.

Welke sector levert de kleinste bijdrage tot het bbp?

a)

primaire sector

b)

secundaire sector

c)

tertiaire sector

d)

Intermediaire sector

8.

Voor welke vorm(en) van werkloosheid is het stimuleren van investeringen een oplossing?

a)

frictiewerkloosheid

b)

conjuncturele werkloosheid

c)

kwantitatieve structurele werkloosheid

d)

kwalitatieve structurele werkloosheid

9.

Welke indicator geeft weer hoeveel mensen van de beroepsactieve leeftijd ook daadwerkerlijk een job hebben?

a)

werkloosheidsgraad

b)

activiteitsgraad

c)

participatiegraad

d)

werkzaamheidsgraad

10.

Wat is geen mogelijke oorzaak van monetaire inflatie?

a)

geldschepping

b)

prijsstijgingen

c)

ontpotting

11.

Wat zijn de gevolgen van hyperinflatie?

(meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Zorgt voor een lage nominale rente

b)

hoge werkloosheid

c)

hoge looneisen

d)

toevlucht nemen tot vreemde valuta

12.

Wat is een indexsprong?

a)

De consumptieprijsindex zonder tabak, alcohol en brandstof.

b)

Het overslaan van de aanpassing van de lonen en de uitkeringen bij overschrijden van de spilindex.

c)

Meet het algemene prijspeil van een korf producten en vergelijkt de prijzen met een basisjaar, dat gelijkgesteld wordt aan 100.

13.

Welke soort werkloosheid wordt veroorzaakt door 'delokalisatie'?

a)

fructionele werkloosheid

b)

conjuncturele werkloosheid

c)

kwantitatief structurele werkloosheid

d)

kwalitatief structurele werkloosheid

14.

Welke van volgende formules is de verkeersvergelijking van Fisher?

a)

M . T = P . V

b)

M . P = V . T

c)

M . V = P . T

15.

Wat wordt niet meegerekend in het bbp?

(meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Productie schadelijke producten

b)

Schuld op lening

c)

Uitkeringen uitbetaald door de regering

d)

Lonen uitbetaald door de regering

16.

GPI is kort voor:

a)

General Progress Indicator

b)

Genuine Progress Indicator

c)

General Price Indicator

d)

Genuine Price Indicator

17.

Geef de correcte omschrijving voor de bbp-deflator

a)

Geeft een prijswijziging weer voor een korf geselecteerde goederen en diensten

b)

Geeft een prijswijziging weer van de lonen

c)

Geeft een prijswijziging weer voor alle goederen en diensten geproduceerd in een land

18.

Wat houdt de activiteitsgraad in?

a)

Mensen op beroepsactieve leeftijd die willen toetreden tot de arbeidsmarkt

b)

Mensen uit de totale bevolking die kunnen en willen werken

c)

Mensen van de beroepsactieve leeftijd die een job hebben

19.

Wanneer we spreken van kosten inflatie dan...

a)

verschuift de vraagcurve naar links

b)

verschuift de vraagcurve naar rechts

c)

verschuift de aanbodcurve naar links

d)

verschuift de aanbodcurve naar rechts

20.

Welke sector levert in België de grootste bijdrage tot het bbp?

a)

Primaire sector

b)

Secundaire sector

c)

Tertiaire sector

d)

Intermediaire sector

21.

Het (a)   bbp is het bbp tegen lopende prijzen.

22.

Wat hoort niet thuis in het rijtje?

a)

Geldwaarde daalt

b)

laat toe langetermijnaankopen te plannen

c)

benadeelt kredietverstrekkers die nog openstaande vorderingen hebben

d)

doet mensen een bijbaan zoeken

23.

Wat is geen duurzaam consumptiegoed?

(meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Een grasmachine

b)

Benzine

c)

Een auto

d)

Een autoverzekering

24.

Wat is geen positieve activiteit van de GPI?

a)

huishoudelijk werk

b)

vrije tijd

c)

pendelverkeer

d)

groenten uit de moestuin

25.

Waarom wordt de bank gezien als een veiligere belegging?

a)

Een bank gaat bijna nooit failliet

b)

De ECB controleert de banken en daardoor gaat niets fout

c)

Bij de bank is er een hoger rendement

26.

Welke sector heeft de meeste octrooen aangevraagd in 2013?

a)

Chemische sector

b)

Technologische sector

c)

Mechanische sector

d)

Horeca

27.

An doet een deposito van 10 000,00 euro bij haar bank. Waar staat dit?

a)

Op de actiefzijde van de balans van de bank

b)

Op de passiefzijde van de balans van de bank

c)

In de resultatenrekening van de bank

28.

Bij de Euromuntstukken geldt:

a)

de intrinsieke waarde is groter dan de nominale waarde

b)

de nominale waarde is groter dan de intrinsieke waarde

c)

de nominale waarde is gelijk aan de intrinsieke waarde

d)

De nominale waarde is kleiner dan de intrinsieke waarde

29.

Welk van volgende zaken biedt een oplossing voor kwalitatief structurele werkloosheid?

a)

betere communicatie van vacatures

b)

hogere overheidsinvesteringen

c)

loonmatiging

d)

stimuleren om elders te werken of te verhuizen

30.

Geef het kleinste monetair aggregaat waartoe de aandelen behoren

a)

M1

b)

M2

c)

M3

31.

Wat betekent 'run on the bank'

a)

rennen naar de bank

b)

een bank overvallen

c)

1 iemand haalt al zijn geld van zijn rekeningen

d)

mensen gaan massaal hun geld van de bank afhalen

32.

Bij welke benadering bereken je het bbp door de som te maken van de toegevoegde waarde van alle ondernemingen in een land?

a)

Bestedingsbenadering

b)

productiebenadering

c)

inkomensbenadering

33.

Van wat is de productiecapaciteit afhankelijk?

a)

Kwantiteit van de productiefactoren

b)

Kwaliteit van de productiefactoren

c)

zowel de kwaliteit als de kwantiteit van de productiefactoren

34.

Wat moet er gebeuren met de omloopsnelheid als de geldhoeveelheid stijgt zonder economische groei, willen we inflatie vermijden.

a)

Dalen

b)

Stijgen

c)

Gelijk blijven

35.

Hoe goed heb je je al voorbereid voor het examen van economie?

a)

Totaal niet

b)

Al een beetje

c)

Vrij goed

d)

Ik kan het al! Enkel nog herhalen