wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Economie 6.5

Total questions: 32

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Hoe goed schat je je eigen kansen in?

a)

Dit wordt een makkie!

b)

Ik zal zeker slagen.

c)

Ik hoop dat ik de helft haal.

d)

Ik vrees dat dit een ramp wordt, ik heb nog niet gestudeerd voor economie...

2.

Een bedrijf koopt voor 46 300 000 euro aan grondstoffen en verkoopt haar afgewerkte producten voor 58 400 000 euro. Hoeveel bedraagt de toegevoegde waarde? Het betreffen marktprijzen.

a)

12 100 000,00

b)

57 619 047,62

c)

10 000 000,00

d)

96 664 462,81

3.

Welke van volgende begrippen behoren niet tot de input van een economie?

a)

Kapitaal

b)

Bbp

c)

Arbeid

d)

Technologie

4.

Hoe bereken je de activiteitsgraad?

a)

(beroepsactieve bevolking / totale bevolking) * 100 

b)

(beroepsbevolking / totale bevolking) *100

c)

(beroepsbevolking / bevolking op beroepsactieve leeftijd) *100

d)

(totale bevolking / bevolking op beroepsactieve leeftijd) *100

5.

Wat is een mogelijke oplossing voor kwantitatief structurele werkloosheid?

a)

belastingen verlagen

b)

loonmatiging

c)

uitbreidingsinvesteringen stimuleren

d)

alle 3

6.

IFC is kort voor

a)

International financial corporation

b)

International finance corporation

c)

International finance constitution

d)

International financial constitution

7.

Bij bestedingsinflatie

a)

verschuift de vraagcurve naar rechts

b)

Verschuift de vraagcurve naar links

c)

verschuift de aanbodcurve naar rechts

d)

verschuift de aanbodcurve naar links

8.

Hoe bereken je de bbp-deflator?

a)

reële bbp / nominaal bbp

b)

nominaal bbp / reële bbp

c)

bruto investeringen / netto investeringen

d)

netto investeringen / bruto investeringen

9.

Hoe heet de sector waarbij machines/installaties belangrijker zijn dan de inbreng van de arbeiders?

= (a)  

10.

Wat gebeurt er met de geldhoeveelheid als de kasreservecoëfficiënt wordt verhoogd?

a)

die daalt

b)

die verandert niet

c)

die stijgt

11.

Wie is de huidige president van de ECB?

(a)  

12.

Bij geldsubstitutie verandert de geldhoeveelheid

a)

juist

b)

fout

c)

soms wel, soms niet, hangt af van de situatie

13.

Gegeven: de vergelijking van Fisher.

Gevraagd: welk onderdelen zullen er wijzigen wanner de rente stijgt?

a)

M en V

b)

V en T

c)

M en P

d)

V en P

14.

Hoeveel bedraagt de huidige inflatie?

a)

5,46%

b)

5,56%

c)

5,61%

d)

5,64%

15.

Naar welk land exporteert België het meest?

a)

Nederland

b)

Duitsland

c)

Frankrijk

d)

Spanje

16.

Wanneer een bedrijf een machine wil leasen en deze bovendien wenst af te schrijven op zijn balans, dan kiest hij voor een

a)

operationele leasing

b)

private leasing

c)

financiële leasing

d)

machinale leasing

17.

Hoe bereken je het prijsniveau adhv de vergelijking van Fisher

a)

P = (M*T) / V

b)

P = (M+V)/T

c)

P = (M*V)/T

d)

P = (M+T)/V

18.

Welke stelling is correct?

De beroepsbevolking bestaat uit...

a)

de werkenden + de werklozen

b)

de werkenden + de werklozen + de inactieve bevolking

c)

de inactieve bevolking + de werkenden

d)

de werkenden

19.

Als de geldhoeveelheid met 10% toeneemt, de omloopsnelheid constant blijft en er een economische groei is van 10%, wat kan men dan besluiten mbt de prijzen?

a)

Deflatie

b)

Inflatie

c)

geen wijziging

20.

Geef de correcte omschrijving van een aandeel

a)

Het eigendomsbewijs van de deelname in het kapitaal van een onderneming

b)

Het eigendomsbewijs van de deelname in de schulden van een onderneming

c)

Het eigendomsbewijs van de deelname in de arbeid van een onderneming

21.

Wat is geen kenmerk van geld

a)

algemeen aanvaard zijn

b)

in overvloed aanwezig

c)

weinig plaats innemen

22.

Japan heeft reeds lange tijd te kampen met

a)

deflatie

b)

kruipende inflatie

c)

galoperende inflatie

d)

hyperinflatie

23.

Wat wordt niet meegerekend bij de berekening van het bbp van België?

a)

Vestiging van Belgische fabriek in Duitsland

b)

Belfius bank in Gent

c)

Vestiging van Duitse multinational in België

d)

Leonidas chocolade in Maldegem

24.

Mensen geven sneller hun geld uit, de monetaire overheid trekt de reserveringsplicht op. Wat gebeurt er met M,V,P en T?

a)

- = + =

b)

= - - +

c)

- + = =

d)

- = - =

25.

Wat is een mogelijke oplossing voor conjuncturele werkloosheid?

a)

loonmatiging

b)

herscholing

c)

spreiding van vakanties

d)

bevorderen van export

26.

Bij kosteninflatie zal

a)

het aanbod dalen

b)

het aanbod stijgen

c)

de vraag stijgen

d)

de vraag dalen

27.

Welke sector levert in België de grootste bijdrage tot het bbp?

a)

primaire sector

b)

secundaire sector

c)

tertiaire sector

d)

intermediaire sector

28.

Jozef plukt frambozen. In de winter vindt hij geen werk.

Dit is een voorbeeld van

a)

conjuncturele werkloosheid

b)

structurele werkloosheid

c)

fictionele werkloosheid

d)

seizoens-werkloosheid

29.

Pieter-Jan Pan werkt sinds enkele jaren in Spanje. Wat hij verdient behoort tot het

a)

BNP van België

b)

BBP van België

c)

Geen van beide, telt enkel voor het BBP van Spanje

30.

Wat is geen instrument van de ECB om de geldmarkt te beinvloeden?

a)

verrichten van openmarktoperaties

b)

hanteren van permanente faciliteiten

c)

monetaire reserve verplichtingen

d)

subsidies uitdelen aan banken

31.

Aanpassing van de lonen nav inflatie gebeurt bij alle bedrijven adhv

a)

de spilindex

b)

de consumptieprijs-index

c)

de gezondheidsindex

d)

de koopkrachtindex

32.

Hoe goed ben je al voorbereid op het examen economie?

a)

Heb mijn cursus nog niet open gedaan...

b)

Begonnen, maar nog niet halfweg

c)

Vrij goed, ik moet nog enkele stukken leren

d)

Super goed! Enkel nog herhalen.