wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Formatieve toets grammatica blok 1 t/m 3 havo/vwo

Total questions: 16

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

In welke vormen kan een werkwoord voorkomen?

(Meerdere antwoorden mogelijk)

a)

persoonsvorm

b)

infinitief

c)

voltooid deelwoord

d)

meewerkend voorwerp

2.

Wat is de persoonsvorm?

''Hij kocht twintig aardbeien.''

a)

Hij

b)

kocht

c)

twintig

d)

aardbeien

3.

Wat is het infinitief in de volgende zin?

"Wesley wil graag over de grote golven surfen?''

a)

Wesley

b)

wil

c)

over de grote golven

d)

surfen

4.

Wat is het voltooid deelwoord in de volgende zin?

''Hij heeft een gloednieuwe auto gekocht?''

a)

Hij

b)

heeft

c)

een gloednieuwe auto

d)

gekocht

5.

Wat is het scheidbaar werkwoord in de volgende zin:

''Meneer de Groot woont straks de wedstrijd bij.''

a)

woont bij

b)

de wedstrijd

c)

straks

d)

meneer de Groot

6.

Een zin bestaat tenminste uit twee basisdelen.

a)

Waar

b)

Niet waar

7.

Uit tenminste welke twee basisdelen moet een zin bestaan?

a)

onderwerp + lijdend voorwerp

b)

persoonsvorm + onderwerp

c)

persoonsvorm + werkwoordelijk gezegde

d)

werkwoordelijk gezegde + onderwerp

8.

Bij het werkwoord neerleggen moeten tenminste twee zinsdelen toegevoegd worden, namelijk ''wie legt iets neer'' + wat wordt er neergelegd''.

a)

Waar

b)

Niet waar

9.

Het werkwoord bepaalt hoeveel zinsdelen een zin heeft.

a)

Waar

b)

Niet waar

10.

Welke zinsdelen heeft de zin:

''Ahmet slaapt elke twee uur.''

a)

Ahmet slaapt - elke twee uur.

b)

Ahmet - slaapt - elke - twee uur.

c)

Ahmet - slaapt - elke - twee -uur.

11.

Welke zinsdelen heeft de volgende zin?

De koper heeft het grote huis aan de overkant niet gekocht.

a)

De koper - heeft - het grote huis - aan de overkant - niet gekocht.

b)

De koper heeft - het grote huis - aan de overkant gekocht.

12.

Welke woorden zijn zelfstandige naamwoorden?

Gelderland, Omniversum, geoefende, hoogste.

a)

Gelderland, omniversum

b)

Gelderland, geoefende

c)

Geoefende, hoogste

13.

Wat zijn voorzetsels?

Van, na, de, het, achter

a)

Van, na, achter

b)

De, het

c)

Van, na, de

14.

Hoe vind je het lijdend voorwerp?

a)

Wie of wat + gezegde + onderwerp?

b)

Lijdend voorwerp is de ondergaander

c)

Wie of wat + pv?

d)

Wie of wat + ow?

15.

Wat is het lijdend voorwerp?

"De journalist interviewde om vijf uur de minister-president.''

a)

De journalist

b)

interviewde

c)

om vijf uur

d)

de minister-president

16.

Wat is het lijdend voorwerp?

''Harmen en Cheyenne ruimden hun afval niet op.''

a)

Harmen en Cheyenne

b)

ruimden

c)

hun afval

d)

op