wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taal en spelling

Total questions: 10

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Zelfstandige naamwoorden geven een naam aan mensen, dieren, planten en dingen.

a)

Juist

b)

Fout

2.

Duid alle zelfstandige naamwoorden aan.

a)

de bakker

b)

fietsen

c)

klein

d)

de boom

3.

Welk woord verwijst naar 'de kinderen'?

De kinderen zijn ervandoor.

Die fietsen veel vlugger.

a)

die

b)

fietsen

c)

veel

d)

vlugger

4.

fietsen - Jan ... naar huis tegen de wind in.

(a)  

5.

worden - Oma ... snel moe van het wandelen aan zee.

(a)  

6.

Verdeel in zinsdelen:

De rode appel valt op het zachte gras.

a)

De rode appel / valt op het / zachte gras.

b)

De rode appel / valt / op het zachte gras.

c)

De rode / appel valt / op het zachte gras.

d)

De rode appel / valt / op het zachte / gras.

7.

Welke afspraak hoort bij deze zin?

Katten kunnen lekker liggen rollen.

a)

Ik schrijf de medeklinker dubbel.

b)

Ik schrijf de lange klinker enkel.

c)

Ik schrijf wat ik hoor.

8.

Waar moet jij aan denken bij dit woord: het ei-verhaal.

Geen foute antwoorden mogelijk.

4 lines
9.

Welke woorden schrijf je met 'au'?

a)
b)
c)
d)
10.

Ik vind taal- of spellingsoefeningen ...

a)

moeilijk

b)

doenbaar

c)

makkelijk