wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

T2 5.1 t/m 5.6

Total questions: 80

Worksheet time: 40mins

Name
Class
Date
1.
Wat zijn zintuigen?
a)
ogen, oren, mond, neus, huid, handen
b)
ogen, mond, oren, huid, neus
c)
ogen, oren, mond, huid, neus, voeten
d)
ogen, oren, mond, huid, neus, gevoel
2.
Wat kun je met je zintuigen doen?
a)
informatie uit je omgeving zien
b)
informatie uit je omgeving horen
c)
informatie uit je omgeving waarnemen
d)
geen idee
3.
Je neemt waar doordat je iets
a)
voelt, ruikt, ziet, hoort, proeft
b)
eet, voelt, ruikt, ziet, hoort
c)
voelt, ruikt, ziet, hoort, proeft, hoopt
d)
doet
4.
Elk zintuig is gevoelig voor
a)
dezelfde prikkel
b)
geen prikkel
c)
veel prikkels
d)
een eigen prikkel
5.
In de zintuigen wordt van een prikkel een
a)
taak gemaakt
b)
afdruk gemaakt
c)
impuls gemaakt
d)
inpuls
6.
Een impuls is een bericht met
a)
informatie
b)
nieuws
c)
geluid
d)
geen idee
7.
Een impuls gaat door je zenuwen naar
a)
je zintuigen
b)
je botten
c)
je spieren
d)
je hersenen
8.
Zenuwen zitten
a)
nergens in je lichaam
b)
overal in je lichaam
c)
ergens in je lichaam
d)
ergens buiten je lichaam
9.
Zenuwen komen samen in
a)
je spieren
b)
je hersenen
c)
je ruggenmerg
d)
je skelet
10.
Zenuwen, ruggenmerg en hersenen vormen samen
a)
het skelet
b)
het orgaanstelsel
c)
het spierstelsel
d)
het zenuwstelsel
11.
Je neemt pas waar als de impulsen
a)
in je hersenen zijn aangekomen
b)
onderweg zijn naar je hersenen
c)
in je ruggenmerg zijn aangekomen
d)
in je spieren zijn aangekomen
12.
Na een waarneming kun je
a)
nadenken
b)
uitrusten
c)
niets doen
d)
reageren
13.
Geluid is een
a)
zintuig
b)
waarneming
c)
prikkel
d)
impuls
14.
Je beslist hoe je reageert met
a)
je zintuigen
b)
je impuls
c)
je prikkel
d)
je hersenen
15.
Het drukzintuig is een onderdeel van de huid.
a)
Juist
b)
Onjuist
16.
Wat wordt bedoeld in het kader  bij het vraagteken?
a)
Neusholte
b)
Neus-slijmvlies
c)
Reukharen
d)
Zintuigcellen
17.
De verschillende smaken die de smaak zintuigcellen kunnen onderscheiden zijn:
a)
Zuur, Zout, Zoet
b)
Zuur, Zout, Zoet, Pittig
c)
Pittig, Bitter, Zoet, Zout
d)
Zoet, Zout, Zuur, Bitter
18.
Bij welk zintuig hoort deze afbeelding?
a)
Gehoor-zintuig
b)
Gezichts-zintuig
c)
Reuk-zintuig
d)
Smaak-zintuig
19.
Met een droge tong proef je even goed als met een vochtige tong.
a)
Juist
b)
Onjuist
20.

Hoe heten de twee lagen van de opperhuid die volgens de afbeelding zijn aangetast bij een eerstegraads verbranding?

a)

hoornlaag en kiemlaag

b)

opperhuid en lederhuid

c)

opperhuid en onderhuids bindweefsel

d)

hoornlaag en lederhuid

21.
Welke zintuigen zitten op je tong?
a)
Smaakzintuigen
b)
Warmtezintuigen
c)
Tastzintuigen
d)
Koudezintuigen
22.

In de afbeelding zie je een stukje van de huid. Welke letter geeft een zweetklier aan?

a)

K

b)

L

c)

M

d)

N

23.

Welke zintuigen zitten in je neus?

a)

Reukzintuigen

b)

Warmtezintuigen

c)

Tastzintuigen

d)

Koudezintuigen

24.

In welke laag van de huid zitten talgklieren en zweetklieren?

a)

Opperhuid

b)

Lederhuid

c)

Onderhuidse bindweefsel

25.

In welk deel van de huid worden nieuwe huidcellen gemaakt?

a)

Hoornlaag

b)

Kiemlaag

c)

Onderhuids bindweefsel

d)

Lederhuid

26.

In welk gedeelte van de huid zit een haarzakje?

a)

Hoornlaag

b)

Kiemlaag

c)

Onderhuids bindweefsel

d)

Lederhuid

27.

Hoe noem je de bovenste laag van de huid?

a)

Opperhuid

b)

Lederhuid

c)

Onderhuids bindweefsel

d)

Kiemlaag

28.
Dankzij zweetklieren kan je lichaam afkoelen.
a)
Juist
b)
Onjuist
29.

nummer 2 is?

a)

haarvat

b)

bloedvat

c)

zenuw

d)

zintuig

30.

De hoornlaag bestaat uit:

a)

Dode cellen

b)

Levende cellen

31.

De kiemlaag bestaat uit:

a)

Dode cellen

b)

Levende cellen

32.

De functie van de hoornlaag is...

a)

Het beschermen tegen beschadiging, uitdroging en ziektes.

b)

Het delen van de cellen om de huid te vernieuwen.

33.

Wat is de functie van zweet?

a)

Het afkoelen van je lichaam door verdamping.

b)

Het opwarmen van je lichaam door verdamping.

c)

Het afkoelen van je lichaam door een isolerend laagje te vormen.

d)

Het opwarmen van je lichaam door een isolerend laagje te vormen.

34.

Bij een derde graads brandwond zijn de zintuigen beschadigd. Een patiënt zal hierdoor het gevoel in de verbrandde huid verliezen.


Welke huidlaag is er bij een derdegraads brandwond doorgebrand?

a)

Opperhuid

b)

Lederhuid

c)

Hoornlaag

d)

Kiemlaag

35.

Dit wordt opgeslagen in je onderhuidse bindweefsel:

a)

Talg

b)

zweet

c)

vet

d)

water

36.

Wat is de juiste volgorde van de huid van buiten naar binnen.

a)

hoornlaag, kiemlaag, lederhuid, onderhuidse bindweefsel

b)

kiemlaag, hoornlaag, onderhuidse bindweefsel, lederhuid

c)

onderhuidse bindweefsel, lederhuid, kiemlaag, hoornlaag

37.

Vul in:

................ is vettig en houd de haren in de hoornlaag soepel.

a)

haar

b)

vet

c)

talg

d)

bloed

e)

spiertjes

38.
De iris:
a)
Regelt de druk in het oog.
b)
Regelt de hoeveelheid licht in het oog.
c)
Regelt de richting van het oog.
d)
Regelt de spierspanning in het oog.
39.

Als ik in het licht kijk, dan wordt mijn pupil

a)

groter

b)

blijft hetzelfde

c)

kleiner

40.
Je beslist hoe je reageert met
a)
je zintuigen
b)
je impuls
c)
je prikkel
d)
je hersenen
41.

welk onderdeel wordt er als eerst bereikt wanneer de trilling van de lucht je gehoorgang binnen is gekomen?

a)

gehoorbeentjes

b)

trommelvlies

c)

slakkenhuis

d)

venster

42.
Welk onderdeel is hier aangegeven?
a)
Buis van Eustachius
b)
Gehoorgang
c)
Gehoorzenuw
43.
Welk onderdeel is hier aangegeven?
a)
Slakkenhuis
b)
Gehoorbeentjes
c)
Evenwichtsorgaan
44.

Wat is de juiste route die de trillingen afleggen om in de hersenen te komen?

a)

Gehoorgang-trommelvlies-gehoorbeentjes-slakkenhuis-oorzenuw

b)

Trommelvlies-gehoorgang-gehoorbeentjes-slakkenhuis-oorzenuw

c)

Gehoorgang-gehoorbeentjes-trommelvlies-slakkenhuis-oorzenuw

d)

Gehoorgang-trommelvlies-gehoorbeentjes-oorzenuw-slakkenhuis

45.

Hoe noem je alle stoffen in de lucht die een geur hebben?

a)

Ruikstoffen

b)

Ruikproducten

c)

Geurstoffen

d)

Geurproducten

46.

Hoe heten de bobbeltjes op je tong waarmee je smaak proeft?

a)

smaakpapillen

b)

smaakstofcellen

c)

smaakslijmvlies

d)

smaakcellen

47.

Uit welke drie lagen bestaat het oog?

a)

Netvlies, vaatvlies en zenuwen

b)

Zenuwen, bloedvaten en vaatvlies

c)

Harde oogvlies, netvlies en vaatvlies

48.

waartegen beschermen je wenkbrauwen, oogleden en wimpers?

(twee antwoorden zijn goed)

a)

stof

b)

zweet

c)

steentjes

d)

zintuigprikkels

49.

Dit vlies zet prikkels om in berichten

(bij het oog)

a)

hoornvlies

b)

netvlies

c)

vaatvlies

d)

harde-oogvlies

50.

waar worden tranen gemaakt?

a)

traanklier

b)

traanbuis

c)

harde-oogvlies

d)

traan zakje

51.
De blinde vlek:
a)
Bevat geen zintuigcellen.
b)
Is bij blinde mensen groter.
c)
Is bij blinde mensen niet aanwezig.
d)
Bevat minder zintuigcellen.
52.
Met welk nummer is het harde oogvlies aangegeven?
a)
9
b)
12
c)
5
d)
8
53.
Met welk nummer is het glasachtige lichaam aangegeven?
a)
11
b)
2
c)
8
d)
12
54.
Met welk nummer wordt de pupil aangeven?
a)
11
b)
10
c)
12
d)
8
55.
Met welk nummer wordt de blinde vlek aangeven?
a)
7
b)
11
c)
5
d)
6
56.
Met welk nummer wordt de oogspier aangeven?
a)
1
b)
5
c)
8
d)
12
57.
In welke volgorde komt het licht je oog binnen?
a)
hoornvlies, lens, pupil, glasachtig lichaam, vaatvlies, netvlies
b)
harde oogvlies, pupil, lens, glasachtig lichaam, netvlies
c)
harde oogvlies, lens, pupil, glasachtig lichaam, vaatvlies, netvlies
d)
hoornvlies, pupil, lens, glasachtig lichaam, netvlies
58.

Wat is een voorbeeld van een inwendige prikkel?

a)

Warmte in het klaslokaal

b)

Honger

c)

Lichtstralen

d)

Koud water

59.

Wat is gedrag?

a)

Alles wat een organismen doen.

b)

Bewust gedrag van mens en dier.

c)

Alles wat een mens of dier doet.

d)

Onbewust en bewust gedrag van organimen.

60.

Een etholoog doet een gedragsonderzoek. Wat is de juiste volgorde?

a)

Ethogram - Protocol

b)

Observatie - Protocol - Ethogram - Diagram

c)

Observatie - Diagram - Ethogram - Protocol

d)

Observatie - Ethogram - Protocol - Diagram

61.

Het zuigreflex van jonge katjes (kittens) is een voorbeeld van:

a)

Imiteren

b)

Aangeboren gedrag

c)

Gewenning

d)

Oefenen

62.

Een lijst met beschrijvingen van handelingen noem je een

a)

Protocol

b)

Tabel

c)

Ethogram

d)

Sociogram

63.

het effect van de ene handeling dat leidt tot een volgende handeling.

a)

gedragsketens

b)

Protocol

c)

respons

d)

aangeboren gedrag

64.

Als de trein aankomt, wacht je even tot de mensen uitgestapt zijn, alvorens zelf in te stappen.

a)

Dit is een voorbeeld van een norm

b)

Dit is een voorbeeld van een waarde

65.

Wat is een voorbeeld van een norm?

a)

Veiligheid

b)

Trouw

c)

Geen petten in de klas opzetten

d)

Ontspanning

66.

Normen horen bij een bepaalde waarde.

a)

Juist

b)

Fout

67.

Niet roken hoort bij de waarde...

a)

Gezondheid

b)

Eerlijkheid

c)

Ontspanning

d)

Respect

68.

Wat is de functie van hormoon klieren?

a)

Impulsen doorgeven aan het zenuwstelsel

b)

Respons doorgeven aan het lichaam

c)

Het produceren van hormonen

d)

Het produceren van cellen

69.

Hormonen zijn stoffen die de werking van bepaalde organen regelen

a)

waar

b)

niet waar

70.

Belangrijke hormoonklieren zijn:

a)

Speekselklieren, zweetklieren, traanklieren

b)

Hypofyse, de schildklier, de alvleesklier en de bijnieren

c)

Speekselklieren, zweetklieren, traanklieren, hypofyse, de schildklier, de alvleesklier en de bijnieren

71.

Als je glucose (suiker) gehalte in het bloed te hoog wordt, reageert je lichaam door extra insuline te produceren. Waar gebeurd dit?

a)

In de bijnieren

b)

In de schildklieren

c)

In de eilandjes van Langerhans (in de alvleesklier)

d)

In de hypofyse

72.

Insuline zorgt er voor dat het glucose (suiker) gehalte in je bloed:

a)

daalt

b)

stijgt

73.

Als je glucose gehalte in je bloed te laag is (onder de 0,1%) maakt je lichaam

a)

Insuline aan

b)

Glucagon aan

74.

Als je suikerziekte hebt maakt je lichaam een bepaald hormoon niet meer aan, dit is:

a)

Glucose

b)

Insuline

c)

eilandjes van Langerhans

75.

Onder invloed van welk hormoon wordt glycogeen omgezet in glucose?

(a)  

76.

Welk hormoon wordt bij diabetes onvoldoende geproduceerd?

(a)  

77.

Er is een hormoon dat een soortgelijke functie vervult van glucagon. Typ de naam van dat hormoon.

(a)  

78.

Adrenaline is een hormoon dat juist niet traag werkt, maar heel snel. Waar wordt adrenaline geproduceerd?

a)

bijnieren

b)

schildklier

c)

hypofyse

d)

Eilandjes van Langerhans

e)

teelballen

79.

Insuline en glucagon regelen ...

a)

het constant houden van de bloedsuikerspiegel

b)

de hartslag

c)

de productie van hormonen in de schildklier

d)

de productie van testosteron

e)

de productie van adrenaline

80.

Insuline en glucagon worden geproduceerd in ...

a)

de eilandjes van Langerhans in de alvleesklier

b)

de eilandjes van Langerhans in de bijnieren

c)

de schildklier

d)

de teelballen

e)

de eilandjes van Langerhans in de hypofyse