wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4 kader H5

Total questions: 31

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Een open economie is ...


(kies het beste antwoord)

a)

een economie met veel import en export.

b)

een economie zonder dak.

c)

een economie met relatief veel import en export

d)

een economie met havens en vliegvelden.

2.
Goederen en diensten verkopen aan buitenlandse bedrijven en personen
a)
directe ruil
b)
indirecte ruil
c)
export
d)
import
3.
goederen en diensten kopen uit het buitenland
a)
importeren
b)
exporteren
c)
importquote
d)
exportquote
4.

Meer export betekent voor Nederland ...

a)

meer productie en toename van de werkloosheid

b)

minder productie en een daling van de werkloosheid

c)

toename van de werkgelegenheid

d)

daling van de werkgelegenheid

5.

Wat is een juist voorbeeld van een collectief goed

a)

straatverlichting

b)

stadsbus

c)

boek in de bibliotheek

d)

seizoenskaart voor Ajax

6.
een land met weinig in- en uitvoer t.o.v. het nationaal inkomen
a)
exportquote
b)
importquote
c)
open economie
d)
gesloten economie
7.
De totale uitvoerwaarde als % van het nationaal inkomen
a)
exportquote
b)
importquote
c)
brutowinstpercentage
d)
betalingsbalans
8.

Een Belgische toerist logeert een paar nachten in een hotel in Amsterdam.

Dit is voor Nederland ....

a)

import van een goed

b)

export van een goed

c)

import van een dienst

d)

export van een dienst

9.

Maarten en Anke gaan naar Zwitserland op vakantie. Is er voor Zwitserland sprake van import of export wanneer Maarten en Anke als toeristen naar Zwitserland gaan

a)

Export

b)

Import

10.

Een koersstijging van de Amerikaanse dollar ten opzichte van de euro is gunstig voor Nederlandse bedrijven die naar de VS exporteren.

a)

Dat is juist

b)

Dat is onjuist

11.
goederen die eerst worden ingevoerd en dan meteen worden doorverkocht aan het buitenland
a)
wederinvoer
b)
wederuitvoer
c)
invoer
12.

Het verschil tussen de EU en de EMU is dat...

a)

ze in de EU allemaal met de euro betalen en in de EU niet

b)

ze in de EMU allemaal met de euro betalen en in de EU niet

c)

de EU mensen gaat en de EMU alleen over geld

d)

de EMU alleen over mensen gaat en de EU alleen over geld

13.

Welk begrip hoort bij de volgende definitie: " een overzicht van alle betalingen aan het buitenland en alle ontvangsten uit het buitenland."

a)

betalingsbalans

b)

exportquote

c)

Gesloten economie

d)

Open economie

e)

importquote

14.

Welk begrip hoort bij de volgende definitie: " exportwaarde : nationaal inkomen x 100"

a)

betalingsbalans

b)

exportquote

c)

Gesloten economie

d)

Open economie

e)

importquote

15.

Welk begrip hoort bij de volgende definitie: " Gezamenlijke markt van alle landen van de Europese Unie waarbinnen vrijhandel is."

a)

wederuitvoer

b)

EMU (Europese Monetaire Unie)

c)

Interne markt

16.

Welke handelsbelemmering herken je? Er mag een maximaal aantal producten worden ingevoerd.

a)

Contingentering

b)

Exportsubsidie

c)

Invoerrechten heffen

d)

Protectiemaatregelen

e)

Importverbod.

17.

Welke vrijheden herken je? burgers mogen vrij de grens over om in een ander land te gaan werken

a)

vrij verkeer van personen

b)

vrij verkeer van goederen

c)

vrij verkeer van kapitaal

18.

Welke vrijheden herken je? Goederen mogen binnen de EU vrij worden verhandeld, zonder dat er belasting over hoeft te worden betaald.

a)

vrij verkeer van personen

b)

vrij verkeer van goederen

c)

vrij verkeer van kapitaal

19.

Welke vrijheden herken je? Geld mag vrij de grens over

a)

vrij verkeer van personen

b)

vrij verkeer van goederen

c)

vrij verkeer van kapitaal

20.

Welke handelsbelemmering herken je? De overheid geeft subsidie aan bedrijven, waardoor die hun producten goedkoper aan het buitenland kunnen verkopen.

a)

Contingentering

b)

Exportsubsidie

c)

Invoerrechten heffen

d)

Protectiemaatregelen

e)

Importverbod.

21.

Welke handelsbelemmering herken je? Importheffingen. Belasting op ingevoerde producten.

a)

Contingentering

b)

Exportsubsidie

c)

Invoerrechten heffen

d)

Protectiemaatregelen

e)

Importverbod.

22.

Welke handelsbelemmering herken je? Maatregelen om de productie en werkgelegenheid bij bedrijven in het eigen land te beschermen tegen concurrentie uit andere landen.

a)

Contingentering

b)

Exportsubsidie

c)

Invoerrechten heffen

d)

Protectiemaatregelen

e)

Importverbod.

23.

Welk begrip hoort bij de volgende definitie: " De toenemende vrije wereldhandel als gevolg van het openstellen van grenzen en nieuwe vormen van communicatie en transport."

a)

Globalisering

b)

Internationale arbeidsverdeling

c)

Internationale concurrentiepositie

24.

Welk begrip hoort bij de volgende definitie: " Een product wordt geproduceerd en geëxporteerd door het land dat dit het beste en goedkoopste kan."

a)

Globalisering

b)

Internationale arbeidsverdeling

c)

Internationale concurrentiepositie

25.

Welk begrip hoort bij de volgende definitie: " De mate waarin een land in staat is beter en/of goedkoper te produceren dan andere landen"

a)

Globalisering

b)

Internationale arbeidsverdeling

c)

Internationale concurrentiepositie

26.

Wat zijn taken van de Europese Centrale Bank (ECB)? Je kan meerdere vinkjes zetten

a)

Hoogte van de rente vaststellen

b)

Openen van bankrekening voor particulieren (ons)

c)

Hypotheek uitgeven

d)

In omloop brengen van nieuwe bankbiljetten

e)

De waarde van de euro bewaken, zodat de euro zijn koopkracht behoudt. (prijsstabiliteit)

27.

Waarom importeren we het volgende?

a)

Ons klimaat is niet geschikt.

b)

Grondstoffen komen niet voor in de grond.

c)

Buitenlandse producten zijn goedkoper.

d)

Buitenlandse producten zijn van een betere kwaliteit.

e)

Consumenten willen ruime keuze aan producten.

28.

Waarom importeren we het volgende?

a)

Ons klimaat is niet geschikt.

b)

Grondstoffen komen niet voor in de grond.

c)

Buitenlandse producten zijn goedkoper.

d)

Buitenlandse producten zijn van een betere kwaliteit.

e)

Consumenten willen ruime keuze aan producten.

29.

Waarom importeren we het volgende?

a)

Ons klimaat is niet geschikt.

b)

Grondstoffen komen niet voor in de grond.

c)

Buitenlandse producten zijn goedkoper.

d)

Buitenlandse producten zijn van een betere kwaliteit.

e)

Consumenten willen ruime keuze aan producten.

30.

Waarom importeren we het volgende?

a)

Ons klimaat is niet geschikt.

b)

Grondstoffen komen niet voor in de grond.

c)

Buitenlandse producten zijn goedkoper.

d)

Buitenlandse producten zijn van een betere kwaliteit.

e)

Consumenten willen ruime keuze aan producten.

31.

Waarom importeren we het volgende?

a)

Ons klimaat is niet geschikt.

b)

Grondstoffen komen niet voor in de grond.

c)

Buitenlandse producten zijn goedkoper.

d)

Buitenlandse producten zijn van een betere kwaliteit.

e)

Consumenten willen ruime keuze aan producten.