Font size
Worksheetsdiagnostische toets BECO
Total questions: 10
Worksheet time: 8mins
Vier milieufactoren zijn:
1 de pH van de bodem;
2 luchtvervuiling;
3 predatoren;
4 ziekteverwekkers.
Welke van deze factoren zijn abiotisch?
Alleen 1 en 2
Alleen 2 en 4
1, 2 en 4
2, 3 en 4
Een bioloog onderzoekt de invloed van licht op de vorming van bloemen bij planten. Dit doet de bioloog door de lengte van de belichtingsperiode, de intensiteit van de belichtingsperiode, de kleur en de richting van het licht te variëren.
Welke van deze factoren zal de sterkste invloed hebben op de vorming van bloemen bij planten?
Welke van de volgende groepen organismen is een voorbeeld van een populatie?
de begroeiing op een heideveld
alle insecten in een bos
alle madeliefjes in een weiland
Alle vossen in Gelderland
In de afbeelding staat een voedselweb met negen soorten (A tot en met I), met vier trofische niveaus. Welke bewering over dit voedselweb is juist?
Soort A is een planteneter
Soort D is een vleeseter
Soort G is een alleseter
Soort H is een roofdier
Soort I is een producent
Afhankelijk van de voedselkeuze kunnen bij dieren afvaleters, carnivoren, herbivoren, omnivoren en predatoren worden onderscheiden.
Welke van deze groepen dieren horen tot de consumenten?
Alleen afvaleters en predatoren
Alleen carnivoren, herbivoren en omnivoren
Alleen carnivoren, herbivoren, omnivoren en predatoren
Zowel afvaleters, carnivoren, herbivoren, omnivoren als predatoren
Op een open plek waar de bomen zijn gekapt, zullen mossen een deel van de bodem bedekken en er zullen zaden ontkiemen. Kleine eenjarige plantensoorten zoals Vogelmuur en Klein springzaad zullen binnen een paar maanden op de onbegroeide plek groeien.
Na verloop van tijd groeien er ook grotere plantensoorten zoals Gewoon vingerhoedskruid en Wilgenroosje. Na enkele jaren zullen deze plantensoorten verdrongen zijn door struiken en bomen. Onder de bomen en struiken groeien dan bijvoorbeeld varens en Dalkruid.
Over de beschreven veranderingen in de plantengroei op de plek waar de bomen zijn gekapt, doen twee leerlingen een bewering:
Arnold: "De beschreven veranderingen in de plantengroei op die plek zijn een voorbeeld van successie."
Marije: "Dat er veranderingen zijn in de plantengroei op die plek is uitsluitend een gevolg van veranderingen in biotische factoren."
Van welke leerling of welke leerlingen is de bewering juist?
Geen van beide
Alleen Arnold
Alleen Marije
Van Arnold en van Marije
Op de grens van Noord-Brabant en Limburg ligt een groot natuurgebied: de Groote Peel. Dit gebied wordt gekenmerkt door uitgestrekte hoogveenterreinen, plassen, heidevelden, vlakten met pijpenstrootje leen grassoort) en zandruggen.
De plassen zijn ontstaan door turfwinning. In de jaren '50 en '60 van de vorige eeuw zijn rond deze plassen bomen geplant. Hierdoor is een zeer gevarieerd landschap ontstaan. Men spreekt van hoogveen als veenmosplanten (zie bron 1) geen contact meer hebben met het grondwater en dus voor hun water- en zoutenvoorziening volledig afhankelijk zijn van het regenwater. Hoogveen werkt als een spons. Het regenwater wordt er vastgehouden en de bodem wordt volledig verzadigd met water. Veenmos geeft waterstofionen af, waardoor het vastgehouden water zuur wordt. Door de grote verzuring en de geringe hoeveelheid lucht in de bodem gaan andere planten, zelfs bomen, dood en worden vervolgens overwoekerd door het veenmos. De dode resten van deze bomen, kienhout genaamd, bevinden zich in hoogveen en kunnen soms wel enige duizenden jaren oud zijn.
De Groote Peel is bijzonder rijk aan diersoorten. Zo leven er veel soorten vogels, reptielen, vlinders en libellen. Het water is daarentegen soortenarm: als enige vissoort komt het Amerikaanse hondsvisje voor.
Men spreekt bij de Groote Peel van een 'voedselarm' gebied.
Welke stof is of welke stoffen zijn in dit voedselarme gebied weinig aanwezig?
alleen CO2
alleen H2O
alleen voedingszouten
CO2 en H2O
CO2 H2O en voedingszouten
Relaties tussen organismen worden weergegeven door middel van een piramide van energie. In de afbeeldingen is zo'n piramide getekend, opgebouwd uit drie niveaus. Bepaalde vlakken zijn grijs.
Over de grijze vlakken worden drie beweringen gedaan:
1 De grijze vlakken stellen de biomassa voor die opgeslagen is in de organismen van dat niveau.
2 De grijze vlakken stellen onder andere het afval voor in de vorm van uitwerpselen van organismen van dat niveau
3 De grijze vlakken stellen onder andere de energie voor die vrijkomt bij de dissimilatie van de in dat niveau aangegeven organismen
Welk van deze beweringen zijn juist?
1 en 2
1 en 3
2 en 3
Kies uit één van de onderstaande begrippen bij het antwoord op deze vraag:
A Competitie of concurrentie
B Coöperatie binnen en populatie
C Coöperatie tussen populaties
D Mutualisme
E Commensalisme
F Parasitisme
G Predatie
H Facilitatie
Als bij symbiose de individuen van maar één van beide soorten er voordeel van hebben, spreken we van...
Kies uit één van de onderstaande begrippen bij het antwoord op deze vraag:
A Competitie of concurrentie
B Coöperatie binnen en populatie
C Coöperatie tussen populaties
D Mutualisme
E Commensalisme
F Parasitisme
G Predatie
H Facilitatie
Een lintworm in de dunne darm van de mens is een voorbeeld van ...
