wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Bio 6.1 en H7

Total questions: 25

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Wanneer behoren organismen tot een bepaalde soort?

a)

Dezelfde uiterlijke kenmerken

b)

Informatie uit DNA-onderzoek

c)

Vruchtbare nakomelingen

d)

Alle drie

2.

Welk deel van de bionominale naamgeving schrijf je met een hoofdletter?

a)

Geslachtsnaam

b)

Soortaanduiding

3.

Wat is de hoogste groep in de taxonomie?

a)

Rijken

b)

Families

c)

Domeinen

d)

Klassen

4.

Wat zijn de archaea en de bacteriën?

a)

Eukaryoten

b)

Prokaryoten

5.

Darwin dacht dat organismen zich bewust aanpaste aan de omgeving tijdens zijn leven

a)

Waar

b)

Niet waar

6.

Wanneer spreek je van een nieuwe soort?

a)

Genetische variatie + selectiedruk + doorgeven van allelen +na geruime tijd

b)

Genetische variatie + doorgeven van allelen + na geruime tijd

c)

Doorgeven van allelen + na geruime tijd

d)

Selectiedruk + doorgeven van allelen

7.

Wat houd 'the survival of the fittest' in?

a)

Invloed van de ene soort op de andere soort

b)

De populatie met de beste aanpassingen overleefd

c)

De populatie met de slechtste aanpassingen overleefd

d)

Invloed van de omgeving

8.

Bij welke kan er sprake van co-evolutie zijn?

a)

Beide soorten hebben voordelen aan elkaar

b)

De ene soort parasiteert op de andere soort.

c)

De ene soort is de prooi van de andere soort.

d)

De ene soort heeft geen voor- of nadeel aan de andere soort

9.

Allopatrische soortvorming is evolutie door het splitsen van een populatie door een barrière

a)

Waar

b)

Niet waar

10.

Het fokken van honden valt onder....

a)

Natuurlijke selectie

b)

Kunstmatige selectie

11.

De vleugel van een vogel en een vlinder zijn HOMOLOGE structuren

a)

Waar

b)

Niet waar

12.

De arm van een mens en de vleugel van een vleermuis zijn HOMOLOGE structuren.

a)

Waar

b)

Niet waar

13.

Met welk van deze vier is de slak Trivia monacha het meest verwant?

a)

Cleotrivia antillarum

b)

Lymantria monacha

c)

Monacha cantiana

d)

Trivia arctica

14.

Voorbeelden van rudimentaire organen zijn:

a)

Verstandskiezen + ellepijp

b)

Staartbeentjes + middenvoetsbeentjes

c)

Staartbeentjes + blinde darm

d)

Staartbeentjes + verstandskiezen

15.

Een fossiel van een dier dat al 10 miljoen jaar leeft, nauwelijks is veranderd en alleen rond Zuid-Afrika leeft, kan als gidsfossiel worden gebruikt.

a)

Waar

b)

Niet waar

16.

De Griekse filosoof Aristoteles dacht dat leven spontaan ontstond: vliegen ontstonden in vlees. Hoe heet dit?

a)

Generatio spontanea

b)

Spontaan ontstaan

c)

Spontanea generatio

17.

Hoe krijgen dieren C-isotopen binnen?

a)

Planten nemen CO2 op via fotosynthese. De dieren eten de planten.

b)

Ze ademen zuurstof in wat in koolstof veranderd en in hun lichaam blijft.

c)

Ze ademen zuurstof EN koolstofdioxide in.

18.

Organische stoffen worden door organismen EN levenlosen natuur geproduceerd.

a)

Waar

b)

Niet waar

19.

Planten zijn voorbeelden van autotrofe organismen

a)

Waar

b)

Niet waar

20.

Prokaryoten hebben geen celorganellen behalve een celkern

a)

Waar

b)

Niet waar

21.

Aeroob en anaeroob hebben te maken met organische stoffen.

a)

Waar

b)

Niet waar

22.

In een cladogram wordt het verwantschap tussen organismen zichtbaar door eenzelfde homoloog kenmerk te groeperen.

a)

Waar

b)

Niet waar

23.

Wat is waar over gene flow en genetic drift?

a)

Genetic drift is de verspreiding van allelen door migratie

b)

Gene flow is niet toevallig en genetic drift wel

c)

Gene flow en genetic drift is hetzelfde

d)

Gene flow is de verspreiding van allelen door migratie

24.

Gene flow kan ook het succes van een populatie verminderen?

a)

Waar

b)

Niet waar

25.

Wat doen mutaties in genen voor de genenpool?

a)

Er ontstaan nieuwe allelen en de genenpool breidt uit

b)

Door mutaties wordt de genenpool kleiner

c)

De genenpool blijft hetzelfde, alleen varieert de allelfrequentie