wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

bloedsomloop

Total questions: 68

Worksheet time: 46mins

Name
Class
Date
1.

Waaruit bestaat het bloedvatenstelsel van de mens?

a)

hart

b)

hersenen

c)

bloedvaten

d)

zenuwen

2.

Hoe worden de grote en de kleine bloedsomloop genoemd?

a)

algemene bloedsomloop

b)

menselijke bloedsomloop

c)

dubbele bloedsomloop

3.

De dubbele bloedsomloop gaat bij een omloop 2 keer door ......

a)

de longen

b)

het hart

c)

de organen

d)

de hersenen

4.

Waar gaat de kleine bloedsomloop naar toe?

a)

de hersenen

b)

alle organen

c)

de longen

d)

de darmen

5.

Waar gaat de grote bloedsomloop naar toe?

a)

alle organen van het lichaam

b)

de longen

c)

de hersenen

6.

Wat haalt de kleine bloedsomloop op?

a)

Koolstofdioxide ( CO2)

b)

zuurstof

c)

hemoglobine

d)

stikstof

7.

Wat brengt de grote bloedsomloop naar alle cellen in het lichaam?

a)

zuurstof

b)

koolstofdioxide (CO2)

c)

voedingstoffen

d)

afvalstoffen

8.

Waar komt het bloed het hart binnen?

a)

in de boezems

b)

in de kamers

9.

Welke helft van het hart bevat bloed met veel zuurstof?

a)

rechterhelft

b)

linkerhelft

10.

Hoe groot is ons hart?

a)

als een voet

b)

als een bloemkool

c)

als een vuist

11.

Hoe heet de grote lichaamsslagader?

a)

longslagader

b)

aorta

c)

holle ader

d)

longader

12.

Hoe heet het bloedvat van de longen naar het hart?

a)

holle ader

b)

longslagader

c)

aorta

d)

longader

13.

Wat is de functie van hartkleppen?

a)

zorgen ervoor dat het bloed sneller stroomt

b)

zorgen ervoor dat het bloed niet terug kan stromen

c)

zorgt ervoor dat het bloed niet kan klonteren

14.

Waar zitten de halvemaansvormige kleppen? 2 antwoorden aanklikken

a)

tussen boezem en kamer

b)

aan het begin van de aorta

c)

aan het begin van de longslagader

d)

aan het begin van de longader

15.

Hoe noemen we deze kleppen?

a)

hartkleppen

b)

halvemaanvormige kleppen

16.

Hoe noemen we deel 2?

a)

longslagader

b)

longader

c)

aorta

d)

holle ader

17.

Hoe noemen we nummer 13?

a)

rechterboezem

b)

linkerboezem

c)

rechterkamer

d)

linkerkamer

18.

Hoe noemen we nummer 1?

a)

longslagader

b)

aorta

c)

holle ader

d)

longader

19.

Met welk nummer is een slagader aangegeven?

a)

1

b)

2

c)

3

20.

Wat is dit voor een bloedvat?

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat

21.

Waar worden zuurstof en voedingsstoffen afgegeven aan het bloed?

a)

slagaders

b)

aders

c)

haarvaten

22.

In welk bloedvat is de bloeddruk hoog?

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat

23.

Welke wand is het dunst?

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat

24.

Welke bloedvaten gaan van het hart af?

a)

slagaders

b)

aders

c)

haarvaten

25.
Op deze afbeelding zie je
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
26.
De draden waar bij een wondje een korstje van komt worden gemaakt door
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
27.
De cel die midden in deze afbeelding ligt, is voor 
a)
vervoer opgeloste stoffen
b)
afweer tegen ziekteverwekkers
c)
zuurstoftransport
d)
stolling van het bloed
28.
De vloeistof die nu boven in de buis zit, is voor 
a)
vervoer opgeloste stoffen
b)
afweer tegen ziekteverwekkers
c)
zuurstoftransport
d)
stolling van het bloed
29.
Wat is de functie van bloedplaatjes
a)
bloedgroepen bepalen
b)
afweer
c)
Bloedstolling
d)
Zuurstof en CO2 vervoeren en opnemen
30.
Bij welke  aandoening heb je een bloedstolsel binnen een bloedvat, zoals bijvoorbeeld in je been?
a)
Hartinfarct
b)
Trombose
c)
Bloedarmoede
d)
aderverkalking
31.
Wat is etter of pus?
a)
Dode rode bloedcellen en kapotte bloedplaatjes
b)
Dode rode- en witte bloedcellen
c)
Dode witte bloedcellen en gedode bloedplaatjes
d)
Dode witte bloedcellen en gedode bacteriën
32.
Wat heeft een celkern?
a)
Rode bloedcel
b)
Witte bloedcel
c)
Bloedplaatje
33.

de opbouw van een niet van binnen naar buiten:

a)

nierschors - niermerg - nierpapil - nierbekken

b)

nierschors - nierbekken - niermerg - nierpapil

c)

nierbekken - nierpapil - niermerg - nierschors

d)

nierbekken - niermerg - nierpapil - nierschors

34.
Hoe heet nummer 1?
a)
nierbekken
b)
nierschors
c)
niermerg
d)
uirineleider
35.

antibiotica is een medicijn tegen

a)

alle infectieziekten

b)

bacteriën en virussen

c)

bacteriën

d)

virussen

36.

Welke van deze figuren kan geen virus zijn?

a)

Figuur 1

b)

Figuur 2

c)

Figuur 3

d)

Figuur 4

37.

Virussen kunnen we bestrijden met antibiotica

a)

Juist

b)

Fout

38.

Virussen kunnen lang overleven buiten het lichaam van een gastheer

a)

Juist

b)

Fout

39.

Een antigeen is

a)

Lichaamsvreemd

b)

Lichaamseigen

c)

Een ander woord voor een witte bloedcel

40.
Wat is een ander woord voor inenting?
a)
Vaccin/vaccinatie
b)
Serum
41.

Natuurlijk immuniteit is...

a)

wanneer je natuurlijke antistoffen ingespoten krijgt

b)

wanneer je kunstmatige antistoffen ingespoten krijgt

c)

wanneer je zelf natuurlijke antistoffen maakt

d)

wanneer je zelf kunstmatige antistoffen maakt

42.

Kunstmatige immuniteit is...

a)

...als je een vaccin toegediend krijgt

b)

...als je witte bloedcellen ingespoten krijgt

c)

...als jouw lichaam zelf antistoffen aanmaakt na een vaccinatie

d)

... als jouw lichaam zelf antigenen aanmaakt na een vaccinatie

43.

Wat bepaalt een bloedgroep?

a)

De antigenen op de witte bloedcellen

b)

De antigenen op de rode bloedcellen

c)

De antistoffen die je aanmaakt

d)

Er is maar 1 soort bloed

44.

Wat gebeurt er als je de verkeerde bloedgroep krijgt bij een transfusie?

a)

Niks

b)

Rode bloedcellen klonteren

c)

Rode bloedcellen barsten

d)

Witte bloedcellen klonteren

45.

Waarom kan bloedgroep O aan iedereen doneren?

a)

Dat kan niet

b)

De antistoffen worden uit het donorbloed gehaald en O heeft geen antigenen

c)

De antistoffen in bloedgroep O zijn minder dan in andere bloedgroepen en kunnen daarom worden genegeerd

d)

De antigenen van bloedgroep O kunnen tegen de antigenen van de andere bloedgroepen

46.

Wat vindt je niet in het lymfesysteem?

a)

Lymfe

b)

Rode bloedccellen

c)

Witte bloecellen

d)

Voedingsstoffen

47.

Welke onderdelen van het lymfestelsel worden aangegeven bij 1 en 2 in de abeelding?

a)

1=Lymfevat

b)

2=Lymfevat

c)

1=lymfeknoop

d)

2=lymfeknoop

48.

In de afbeelding zie je een doorsnede van weefsel met omliggende cellen en een haarvat. Wat voor een vocht wordt aangewezen met pijl P?

a)

Bloedplasma

b)

Lymfe

c)

Weefselvloeistof

49.
Hoe ontstaat lymfe?
a)
Door de afbraak van witte bloedcellen
b)

Bloedplasma gaat vanuit de bloedbaan naar een weefsel- vanuit het weefsel gaat het plasma naar een lymfevat

c)
Onder invloed van hormonen
d)

Bij een ontsteking waarbij witte bloedcellen doodgaan

50.
Een slachtoffer heeft bloedgroep A. Wat voor Donorbloed kan deze persoon ontvangen?
a)
Bloedgroep 0
b)
Bloedgroep B
c)
Bloedgroep AB
51.
Op deze rode bloedcel zitten twee verschillende antigenen. Welke bloedgroep is dit?
a)
A
b)
B
c)
AB
d)
O
52.

Welk groot bloedvat ontspringt uit de rechterkamer van het hart?

a)

longader

b)

longslagader

c)

aorta

d)

holle ader

53.

Wat is het grootste bloedvat van ons lichaam?

a)

aorta

b)

longslagader

c)

poortader

d)

borstbuis

54.

Wat is een belangrijk kenmerk van haarvaten?

a)

Haarvaten vervoeren het bloed naar het hart toe

b)

Haarvaten hebben dikke wanden

c)

Haarvaten hebben zeer dunne, halfdoorlatende wanden

d)

Haarvaten vervoeren het bloed van het hart af

55.

Wat is een belangrijk kenmerk van aders?

a)

Aders transporteren het bloed naar het hart toe

b)

Aders wisselen vocht uit met het omliggende weefsel

c)

Aders hebben geen kleppen

d)

Aders transporteren het bloed van het hart af

56.

Wat is de kleine bloedsomloop?

a)

Via de kleine bloedsomloop wordt bloed naar de longen gepompt. Daar wordt zuurstof opgenomen in het bloed.

b)

Via de kleine bloedsomloop wordt bloed naar de darmen gepompt. Daar worden voedingsstoffen opgenomen in het bloed

c)

In dit gedeelte van de bloedsomloop wordt lymfe opgenomen in het bloed

d)

Via de kleine bloedsomloop stroomt bloed naar de hersenen en terug.

57.

In welk gedeelte van het hart is de wand het dikst?

a)

rechterboezem

b)

linkerboezem

c)

rechterkamer

d)

linkerkamer

58.

In welk deel van de bloedsomloop zal de zuurstof concentratie onder normale omstandigheden het hoogst zijn?

a)

longslagader

b)

longader

c)

poortader

d)

holle ader

59.

In welk deel van de bloedsomloop zal de glucose concentratie onder normale omstandigheden het hoogst zijn?

a)

longslagader

b)

aorta

c)

poortader

d)

darmader

60.

Het bloed stroomt van een kuitspier via de longen weer terug naar dezelfde kuitspier. Het bloed gaat daarbij minstens tweemaal door het hart. De weg die het bloed hierbij door het hart aflegt is achtereenvolgens:

a)

linkerkamer - linkerboezem - rechterkamer - rechterboezem

b)

linkerboezem - linkerkamer - rechterboezem - rechterkamer

c)

rechterkamer - rechterboezem - linkerkamer - linkerboezem

d)

rechterboezem - rechterkamer - linkerboezem - linkerkamer

61.

Het bloed in een kransslagader van de mens wordt vergeleken met dat in een kransader wat betreft glucosegehalte en de stroomrichting.


In welk bloedvat is het glucosegehalte het hoogst? In welke richting stroomt dit bloed?

a)

in een kransslagader; naar het hartspierweefsel toe

b)

in een kransslagader; van het hartspierweefsel af

c)

in een kransader; naar het hartspierweefsel toe

d)

in een kransader; naar het hartspierweefsel af

62.

Via de kransslagaders stroomt bloed naar het hartspierweefsel en via de kransaders stroomt het bloed er weer uit. Daarna gaat dit bloed verder door het lichaam.

In welk deel van het hart zal dit bloed vervolgens als eerste komen?

a)

rechterboezem

b)

rechterkamer

c)

linkerboezem

d)

linkerkamer

63.

Bij een mens komt een rode bloedcel, die het hart verlaat, meestal door 1 haarvatennet, voordat deze cel terugkomt in het hart.

Bijvoorbeeld:

hart - aorta - nierslagader - nierhaarvaten - nierader - holle ader - hart


Via welke slagader is hierop een uitzondering, omdat een rode bloedcel dan 2 keer door een (verschillend) haarvatennet gaat?

a)

de darmslagader

b)

de longslagader

c)

de leverslagader

d)

de kransslagader

64.

De tekening stelt een enkelvoudige bloedsomloop van een vis voor. Met de cijfers 1 t/m 4 zijn haarvatennetten in organen aangeduid. Met welk cijfer zijn de haarvaten van de lever aangegeven?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

65.

Een molecuul koolstofdioxide bij de mens wordt via de leverader afgevoerd en door een long uitgescheiden.


Door welke bloedvaten gaat dit molecuul in ieder geval?

a)

door een holle ader en een longslagader

b)

door een holle ader en een longader

c)

door een longslagader en de aorta

d)

door een longslagader en een longader

66.

Wat is het eerstvolgende onderdeel van de bloedsomloop waar het bloed doorheen stroomt na de linkerkamer?

a)

longslagader

b)

rechterboezem

c)

longader

d)

aorta

67.

Wat is het eerstvolgende onderdeel van de bloedsomloop waar het bloed doorheen stroomt na de nierhaarvaten?

a)

nierader

b)

nierslagader

c)

holle ader

d)

poortader

68.

Wat is het eerstvolgende onderdeel van de bloedsomloop waar het bloed doorheen stroomt na de poortader?

a)

leverhaarvaten

b)

leverslagader

c)

holle ader

d)

leverader