wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

PAF periode 7 418QH

Total questions: 31

Worksheet time: 7hrs 2mins

Name
Class
Date
1.

hoe heet het rode gedeelte van de hersenen?

a)

frontaalkwab

b)

wandbeenkwab

c)

kleine hersenen

d)

slaapkwab

2.

hoe heet het blauwe gedeelte van de hersenen?

a)

frontaalkwab

b)

wandbeenkwab

c)

kleine hersenen

d)

slaapkwab

3.

hoe heet de structuur die de prikkels tussen neuronen overbrengt?

a)

stimulans

b)

elektriciteit lokaal

c)

prikkelbed

d)

synaps

4.

wat is de Latijnse benaming van hersenvocht?

a)

ventrikel

b)

liquor

c)

meningitis

d)

arachnoïdea

5.

welke van de onderstaande staat in de juiste volgorde van buiten naar binnen?

a)

1. pia mater

2. arachnoidea

3. dura mater

b)

1. dura mater

2. arachnoidea

3. pia mater

c)

1. arachnoidea

2. pia mater

3. dura mater

6.

welke van de onderstaande zijn soorten zenuwcellen? (meerdere antwoorden mogelijk).

a)

schakel

b)

optische

c)

motorische

d)

sensorische

e)

olfactorische

7.

mijn lichaam bereid zich voor op actie. welk onwillekeurig zenuwstelsel wordt geactiveerd?

a)

sympathisch

b)

parasympatisch

8.

welk onwillekeurig zenuwstelsel wordt geactiveerd als ik tot rust moet komen?

a)

sympathisch

b)

parasympatisch

9.

hoe heet deze aandoening?

a)

staar

b)

glaucoom

c)

macula degeneratie

d)

netvliesloslating

10.

welke van de onderstaande oorzaken vallen onder staar? (meerdere antwoorden mogelijk).

a)

ouderdom

b)

ziekte/ trauma

c)

erfelijk

d)

aangeboren

11.

welke van de onderstaande stellingen is juist?

a)

staafjes onderscheiden donker en licht

b)

staafjes onderscheiden kleuren

c)

kegeltjes zitten niet in de gele vlek

d)

kegeltjes onderscheiden donker en licht

12.

welke van de onderstaande stellingen is juist?

a)

staafjes onderscheiden kleuren

b)

staafjes onderscheiden kleuren

c)

kegeltjes zitten grotendeels in de gele vlek

d)

kegeltjes onderscheiden donker en licht

13.

Wat zijn kenmerken van wanen bij depressie? (meerdere antwoorden mogelijk).

a)

armoede

b)

schuld

c)

vrolijkheid

d)

actief

e)

ziekte

14.

welke van de onderstaande behoort niet tot het middenoor?

a)

hamer

b)

stijgbeugel

c)

trommelvlies

d)

aambeeld

15.

opstijgende zenuwbanen heten efferente banen.

a)

juist

b)

onjuist

16.

afdalende banen geven motorische informatie door.

a)

juist

b)

onjuist

17.

welke stelling hoort bij objectieve tinnitus?

a)

er kan een uitwendige geluidsbron aangetoond worden.

b)

dit is een fantoomsensatie.

18.

welke van de onderstaande activiteiten zijn een negatieve invloed voor een slechte slaap activiteit? (meerdere antwoorden mogelijk).

a)

sporten

b)

koffie

c)

zwaar eten

d)

piekeren

e)

koele slaapkamer

19.

wat is de oorzaak van deze aandoening?

a)

verhoogde afvoer van hersenvocht

b)

lage aanmaak van hersenvocht

c)

cerebraal oedeem door verstoord vochtbalans

d)

uitgezette ventrikels in de hersenen

20.

een tekort aan dopamine veroorzaakt de ziekte van Parkinson.

a)

juist

b)

onjuist

21.

een overmatige hoeveelheid aan dopamine veroorzaakt de ziekte van Parkinson.

a)

juist

b)

onjuist

22.

een verergering van in het verloop bij MS heet?

a)

remissie

b)

schub

23.

waar zit de SAB bloeding in de hersenen?

a)

boven de arachnoïdeale ruimte

b)

in de arachnoïdeale ruimte

c)

onder de arachnoïdeale ruimte

24.

welke van de onderstaande omschrijft een hemiparese?

a)

halfzijdige verlamming, een verlamming van een kant van het lichaam.

b)

hersenhelft; linker- of rechterhelft van de grote hersenen.

c)

krachtsverlies van de spieren aan één kant van het lichaam (gelaat en of arm en of been).

d)

wordt stelselmatig één lichaamshelft of een deel van de ruimte om iemand heen verwaarloosd.

25.

welke van de onderstaande omschrijft neglect?

a)

halfzijdige verlamming, een verlamming van een kant van het lichaam.

b)

hersenhelft; linker- of rechterhelft van de grote hersenen.

c)

krachtsverlies van de spieren aan één kant van het lichaam (gelaat en of arm en of been).

d)

wordt stelselmatig één lichaamshelft of een deel van de ruimte om iemand heen verwaarloosd.

26.

welke van de onderstaande omschrijft apraxie?

a)

moeite met meervoudige handelingen.

b)

het niet meer herkennen van personen of voorwerpen.

c)

problemen met taal.

d)

problemen met het focussen van het zicht

27.

een trombose is de vorming van een stolsel in de bloedbaan.

a)

juist

b)

onjuist

28.

een embolie is de vorming van een stolsel in de bloedbaan.

a)

juist

b)

onjuist

29.

wat wordt er bij nr 4 aangeduid?

a)

hoornvlies

b)

lens

c)

oogkamer

d)

netvlies

30.

wat wordt er bij nr 1 aangeduid?

a)

hoornvlies

b)

sclera

c)

oogkamer

d)

lens

31.

welke van de onderstaande omschrijft katatonie?

a)

stoornis in denken

b)

stoornis in de waarneming

c)

toestand van verstijving

d)

stoornis in het ruiken