wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Erfelijkheid

Total questions: 37

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Onderdelen in een organisme zijn: celkern, DNA, chromosoom, gen en cel. Zet deze organismen in de goede volgorde, het kleinste eerst, het grootste als laatste.

a)

DNA - Gen - Cel - Chromosoom - Celkern

b)

Gen - DNA - Chromosoom - Celkern - Cel

c)

Gen - Chromosoom - DNA - Celkern - Cel

d)

Chromosoom - DNA - Celkern - Gen - Cel

2.

Waar in je lichaam komen genen voor?

a)

Niet in geslachtscellen en niet in lichaamscellen

b)

Alleen in geslachtscellen

c)

Alleen in lichaamscellen

d)

In alle lichaamscellen en geslachtscellen

3.

Waar zijn genen van gemaakt?

a)

Ze zijn gemaakt van chromatiden

b)

Ze zijn gemaakt van chromosomen

c)

Ze zijn gemaakt van DNA

4.

Waarom zijn genen belangrijk?

a)

Genen bevatten informatie over je erfelijke eigenschappen.

b)

Genen zorgen ervoor dat alle processen in de cel goed verlopen.

c)

Genen bepalen hoe je eruit ziet.

5.
Zaadcellen worden gevormd door ?
a)
Meiose 
b)
Mitose 
c)
Gewone celdeling 
6.

Een vrouw heeft

a)

XX chromosomen

b)

XY chromosomen

c)

YY chromosomen

7.

Dit plaatje is een voorbeeld van verandering in

a)

Genotype

b)

Fenotype

c)

Dna

d)

Milieu

8.

Je genotype ontstaat bij de bevruchting van een eicel door een zaadcel

a)

waar

b)

niet waar

9.

Je genotype kun je veranderen

a)

waar

b)

niet waar

10.

Hoeveel chromosomen zitten er in een lichaamscel van de mens?

a)

23

b)

46

c)

32

d)

64

11.

In een eicel zit erfelijk materiaal van vader en moeder

a)

waar

b)

niet waar

12.

Als je een bruin kleurtje hebt gekregen van de zon, dan is je ............veranderd.

a)

fenotype

b)

genotype

13.

Waardoor ontstaat het fenotype?

a)

genotype

b)

invloeden uit het milieu

c)

geen van beiden

d)

zowel genotype als invloeden vanuit het milieu

14.

Bij het zetten van een tattoo verander je het fenotype

a)

waar

b)

niet waar

15.
Hoeveel chromosomen heeft een levercel van een mens?
a)
23
b)
48
c)
46
d)
16
16.

Een celkern bevat de complete informatie voor alle erfelijke eigenschappen.

a)

Juist

b)

Onjuist

17.

Jasper, Silke en Noah bekijken vaste preparaten van spiercellen en zenuwcellen. Het valt hen op dat de cellen er erg verschillend uit zien. Jasper zegt dat dit komt doordat spiercellen en zenuwcellen verschillende genen hebben. Noah zegt dat dit komt doordat bij spiercellen andere genen actief zijn dan bij zenuwcellen. Silke zegt dat het verschillende weefsels zijn met een nadere functie.

a)

Noah en Jasper hebben gelijk.

b)

Silke en Jasper hebben gelijk.

c)

Noah en Silke hebben gelijk.

d)

Noah, Silke en Jasper hebben gelijk.

18.

Bepaalde delen van het DNA van een mens bevatten informatie over de stoffen die de kleur van de ogen bepalen. Waar bevindt zich dit DNA in een cel?

a)

Celwand

b)

Celkern

c)

Cytoplasma

d)

Celmembraan

19.

In het DNA vormen de basen A, C, G en T vaste paren. Welke paren zijn dat?

a)

A en G, C en T

b)

A en C, G en T

c)

A en T, C en G

20.

Wat is DNA?

a)

Een afkorting van de naam van de stof waaruit chromosomen zijn opgebouwd.

b)

Een erfelijke eigenschap van de mens.

c)

DNA is je uiterlijk.

21.

Wat is een gen?

a)

Een stukje van het DNA dat zorgt voor een specifieke erfelijke eigenschap.

b)

DNA

c)

Het membraan van de celkern.

d)

Een langgerekte dunne draad die voornamelijk bestaat uit DNA.

22.

Wat zijn chromosomen?

a)

Langgerekte draden die grotendeels uit DNA bestaan.

b)

DNA

c)

Stukjes van het DNA met een specifieke eigenschap.

23.

Waar is dit een foto van ?

a)

Chromosomen

b)

zaadcellen

c)

eicellen

d)

DNA

24.

Wat ontstaat er bij de deling van een moedercel?

a)

een kindercel

b)

een dochtercel

c)

een zooncel

d)

een nakomelingcel

25.

In de eicellen van de vrouw komen allemaal dezelfde genotype voor.

a)

waar

b)

niet waar

26.

In de zaadcellen van de man zitten allemaal verschillende genotype.

a)

waar

b)

niet waar

27.

Bij een mutatie zijn een of meerdere genen veranderd of gemuteerd

a)

waar

b)

niet waar

28.

Albinos komen alleen bij dieren voor.

a)

waar

b)

niet waar

29.

Waardoor ontstaat de bleke, witte kleur van een albino?

a)

ze hebben een witte stof in hun bloed

b)

ze kunnen geen pigment aanmaken waardoor ze bleek,wit zijn

c)

ze hebben een speciale witte laag op hun huid

30.

Stoffen in sigarettenrook en asbest horen bij mutagene invloeden

a)

waar

b)

niet waar

31.

Het samensmelten van een eicel met een zaadcel noemen we ongeslachtelijke voortplanting.

a)

waar

b)

niet waar

32.
Je ziet in de afbeelding een krokusknol met enkele scheuten. De scheuten kunnen van de knol worden gehaald en verder groeien als afzonderlijke planten.
Welke bewering over de jonge planten is juist?
a)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
b)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
c)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
d)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
33.

Een gen is

a)

alle erfelijke eigenschappen

b)

1 erfelijke eigenschap

c)

al het DNA

34.

Een vrouw heeft

a)

XX chromosomen

b)

XY chromosomen

c)

YY chromosomen

35.

Iedere eigenschap staat ... keer in het DNA

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

36.

Verandert bij celdeling de informatie voor erfelijke eigenschappen?

a)

ja

b)

nee

37.

Wanneer komt het genotype van een baby tot stand?

a)

bij de vorming van de eicel

b)

bij de bevruchting

c)

bij de geboorte