wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

RTTI biologie: Ordening en Stevigheid

Total questions: 55

Worksheet time: 27mins

Name
Class
Date
1.
Welke 5 klassen van gewervelde dieren zijn er?
a)
sponzen, stekelhuidigen, wormen, amfibieën en vissen
b)
zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën en vissen
c)
zoogdieren, vogels, geleedpotigen, wormen en reptielen
d)
vogels, reptielen, vissen, geleedpotigen, en sponzen
2.
Padden zijn koudbloedig, ademen voor een groot deel door hun huid, en hun eieren zijn niet beschermd. Bij welke klasse binnen de afdeling van de gewervelden horen de padden?
a)
Bij de vissen
b)
Bij de reptielen
c)
Bij de zoogdieren
d)
Bij de amfibieën
3.
Waar of niet waar? Een wants (zie het plaatje) is tweezijdig symmetrisch.
a)
Waar
b)
Niet waar
4.
Op basis van welke kenmerken worden de vier grote groepen ingedeeld?
a)
celkern, cytoplasma, celwand
b)
celkern, cytoplasma, celmembraan
c)
celkern, celwand, bladgroenkorrels
d)
celkern, bladgroenkorrels, cytoplasma
5.

Welk kenmerk hebben gewervelden allemaal?

a)

Een inwendig skelet van kalk

b)

Leggen eieren met een schaal

c)

Hebben een huid met een vacht

d)

Hebben allemaal een skelet van alleen maar botweefsel

6.

Welk celkenmerk heeft het rijk van de bacteriën wel?

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Vacuole

d)

Bladgroenkorrels

7.

Welk dier hoort bij de geleedpotigen?

a)
b)
c)
d)
8.

Een bacterie deelt zich iedere 20 minuten. Ik begin met 20 bacteriën. Hoeveel heb ik er na een uur?

a)

100

b)

80

c)

120

d)

160

9.

Welke gewervelden zijn over het algemeen niet afhankelijk van water bij het leggen van de eieren?

a)

Vissen

b)

Amfibieën

c)

Reptielen

d)

Vogels

e)

Zoogdieren

10.

Bij de ordening van de organisme wordt gebruik gemaakt van vier rijken. Welke zijn dat?

a)

Planten

b)

Geleedpotigen

c)

Dieren

d)

Bacteriën

e)

Schimmels

11.

In de afbeelding zie je een dier. Tot welk rijk, welke stam en welke klasse behoort dit organisme?

a)

Rijk: dieren, Stam: geleedpotigen en Klasse: insecten

b)

Rijk: dieren, Stam gewervelden en Klasse: zoogdieren

c)

Rijk: dieren, Stam: gewervelden en Klasse: insecten

d)

Rijk: dieren, Stam: geleedpotigen en Klasse: kreeftachtigen

12.

In de afbeelding kun je een cel zien. Tot welk rijk behoort een organisme met dit soort cellen?

(a)  

13.

Bij bedektzadigen komen vruchten voor.

a)

Waar

b)

Niet waar

14.

In de afbeelding kun je een deel van een plant zien. Tot welke stam behoord deze plant?

a)

Tot de mossen

b)

Tot de varens

c)

Tot de zaadplanten

d)

Tot de paardenstaarten

15.

Waar komen amfibieën voor?

a)

Op het land

b)

In de lucht

c)

In het water

16.

Hieronder staan enkele kenmerken die voorkomen bij organisme:

1) Elke cel heeft bladgroenkorrels.

2) Elke cel heeft een celwand.

3) Elke cel heeft een celkern.

Welke kenmerken komen voor bij dieren?

a)

Alleen kenmerk 1

b)

Alleen kenmerk 2

c)

Alleen kenmerk 3

d)

Kenmerken 1 en 2

e)

Kenmerken 2 en 3

17.

In de afbeelding zie je een dier. Wat voor skelet heeft dit dier?

a)

Een inwendig skelet.

b)

Een uitwendig skelet.

c)

Geen skelet.

18.

Wat voor soort eieren legt een kip?

a)

Eieren zonder schaal.

b)

Eieren met een leerachtige schaal.

c)

Eieren met een kalk schaal.

d)

Een kip legt geen eieren.

19.

Wat is geen functie van het skelet?

a)

bescherming

b)

stevigheid

c)

beweging

d)

spijsvertering

20.

welk bot zit niet in je arm

a)

kuitbeen

b)

spaakbeen

c)

ellepijp

d)

opperarm been

21.
Op welke manier maakt je skelet beweging mogelijk?
a)
Doordat de botten langs elkaar schrapen als je sport
b)
Doordat je spieren aan de botten vastzitten 
c)
Doordat je botten veel energie bevatten
d)
Doordat je skelet bestaat uit kraakbeen en kraakbeen is beweeglijk
22.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 4?
a)
Ellepijp
b)
Spaakbeen
c)
Opperarmbeen
d)
Bovenarmbeen
23.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 2?
a)
Spaakbeen
b)
Schouderblad
c)
Borstbeen
d)
Wandbeen
24.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 11?
a)
Heiligbeen
b)
Staartbeen
c)
Heupbeen
d)
Bekken
25.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 3?
a)
Heiligbeen
b)
Halswervel
c)
Ribben
d)
Borstbeen
26.

Welk bot wordt aangegeven met nummer 6? ( aan de kant van je duim)

a)

Ellepijp

b)

Spaakbeen

c)

Opperarmbeen

d)

Bovenarmbeen

27.

Welk bot wordt aangegeven met nummer 5? ( aan de kant van je pink)

a)

Ellepijp

b)

Spaakbeen

c)

Opperarmbeen

d)

Bovenarmbeen

28.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 8?
a)
Been
b)
Onderbeen
c)
Scheenbeen
d)
Kuitbeen
29.
de hersenen worden beschermt door de
a)
ribben
b)
schedelbeenderen
c)
scheenbeen
d)
sleutelbeen
30.

De onderdelen van je lichaam zijn:

a)

romp, hoofd en ledematen

b)

romp

c)

hoofd en ledematen

d)

ledematen en romp

31.

hoe heet het bot in je bovenarm?

a)

bovenarmbeen

b)

opperarmbeen

c)

bovenbeen

32.
een ander woord voor skelet is ..........
a)
schedel
b)
geraamte
33.

Hoe heet laatste stukje van je wervelkolom?

a)

staartbeen

b)

heiligbeen

c)

ruggengraat

d)

lendewervels

34.

welk bot wordt hier getoond?

a)

ellepijp

b)

opperarmbeen

c)

scheenbeen

d)

spaakbeen

35.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 11?
a)
Heiligbeen
b)
Staartbeen
c)
Heupbeen
d)
Bekken
36.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 4?
a)
Ellepijp
b)
Spaakbeen
c)
Opperarmbeen
d)
Bovenarmbeen
37.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 14?
a)
Ellepijp
b)
Sleutelbeen
c)
Opperarmbeen
d)
Bovenarmbeen
38.
Welk type beenverbinding is zeer beweeglijk?
a)
Kraakbeenverbinding
b)
Gewrichten
c)
Naadverbinding
d)
Vergroeiing
39.
Welk type beenverbinding is hier afgebeeld?
a)
Gewricht
b)
Kraakbeenverbinding
c)
Vergroeiing
d)
Naadverbinding
40.
Met welke type beenverbinding zijn de wervels met elkaar verbonden?
a)
Gewrichten
b)
Kraakbeen
c)
Scharniergewricht
41.
Bevatten de botten van een baby (in verhouding) meer lijmstof of kalkstof?
a)
Lijmstof
b)
Kalkstof
42.
Welk type gewricht zit er tussen het opperarmbeen en de onderarm?
a)
Scharniergewricht
b)
Rolgewricht
c)
Kogelgewricht
43.
Uit welke beenderen bestaat de bekkengordel?
a)
Schouderbladeren + sleutelbeenderen
b)
Heupbeenderen + heiligbeen
c)
Bekken
44.
Hoe noem je twee spieren die de tegenovergestelde beweging van elkaar maken?
a)
Tegenstanders
b)
Anti-spieren
c)
Opponenten
d)
Antagonisten
45.
Wat gebeurt er met een spier als hij zich aanspant?
a)
Wordt kort en dun
b)
Wordt lang en dun
c)
Wordt kort en dik
d)
Wordt lang en dik
46.
Welke vorm zorgt ervoor dat de wervelkolom schokken kan opvangen?
a)
Golvende vorm
b)
Dubbele s-vorm
c)
Scoliose
47.

Het skelet heeft als functie ...

a)

vorm van het lichaam

b)

zorgt voor beweging

c)

zorgt voor bescherming

d)

zorgt voor afweer

e)

zorgt voor stevigheid

48.

Kijk goed naar de afbeelding. De naamgeving van dierlijke skeletten is vergelijkbaar met die van de mens. Wat is de naam van nummer 20?

a)

Dijbeen

b)

Heupbeen

c)

Scheenbeen

d)

Knieschijf

49.

Je ziet hier een afbeelding van een schedel van een mens. Nummer 6 is..

a)

voorhoofdsbeen

b)

wandbeen

c)

onderkaak

d)

bovenkaak

50.

Het skelet van een baby bestaat hoofdzakelijk uit ...

a)

beenweefsel

b)

kraakbeenweefsel

c)

kalk

d)

lijmstof

51.

De botten van bejaarden bevatten meer ...

a)

kraakbeenweefsel

b)

beenweefsel

c)

kalk

d)

lijmstof

52.

In deze afbeelding zie je een bepaald type gewricht. Dit gewricht heet ..

a)

scharniergewricht

b)

naadverbinding

c)

vergroeiing

d)

kogelgewricht

53.

In deze afbeelding is de schouder ..

a)

gebroken

b)

ontwricht

c)

verzwikt

d)

verstuikt

54.

Scharniergewrichten bevinden zich onder andere in ..

a)

hoofd en heup

b)

elleboog en schouder

c)

elleboog en knie

d)

schouder en heup

55.

Om een gewricht goed te laten werken en slijtage aan de botdelen te voorkomen zijn er twee voorzieningen nodig.

a)

gewrichtsbanden en gewrichtskapsels

b)

gewrichtssmeer en gewrichtsbanden

c)

gewrichtssmeer en kraakbeen

d)

kraakbeen en gewrichtskapsels