Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Toetsweek 2 HA1

Total questions: 29

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

In een ............. verband worden dingen achter elkaar opgenoemd.

a)

Tegenstellend

b)

Chronologisch

c)

Opsommend

d)

Toelichtend

2.

Waar kun je verbanden vaak aan herkennen?

a)

Signaalwoorden

b)

Opvallende woorden

c)

Leestekens

d)

Anekdote

3.

Bij welk tekstverband horen deze woorden: bijvoorbeeld, zoals, denk aan, neem nou

a)

Opsommend

b)

Toelichtend

c)

Chronologisch

d)

Tegenstellend

4.

Welk signaalwoord hoort niet bij het tegenstellend verband?

a)

Bovendien

b)

Maar

c)

Daarentegen

d)

Echter

5.

In een ...... verband wordt extra informatie gegeven over het onderwerp.

a)

Tegenstellend

b)

Chronologisch

c)

Opsommend

d)

Toelichtend

6.

ten eerste, ten tweede en daarna geven een opsomming aan.

a)

Waar

b)

Niet waar

7.

Welke vier woorden horen bij het woord 'tekstverband'

a)

onderwerp, lidwoord, zelfstandig naamwoord en werkwoordelijk gezegde

b)

lidwoord, werkwoordelijk gezegde, onbepaald lidwoord, signaalwoord

c)

chronologisch, opsommend, tegenstellend, toelichtend

8.

Kies een signaalwoord dat past bij een tegenstellend tekstverband.

a)

Bovendien

b)

Echter

c)

Neem nou

9.

Wat is een inleiding?

a)

Hierin wordt duidelijk gemaakt wat de zn van de tekst is.

b)

Hierin wordt duidelijk gemaakt wat het onderwerp van de tekst is.

c)

Hierin wordt duidelijk gemaakt wat het lw van de tekst is.

10.

Mogen er meerdere deelonderwerpen in één alinea staan?

a)

ja, want het gaat allemaal over het onderwerp.

b)

nee, want in een alinea mag maar één deelonderwerp besproken worden.

11.

Wat staat er in het slot?

a)

Conclusie, mening, samenvatting.

b)

De hoofdgedachte.

12.

Bij welk tekstverband horen deze woorden: zo, als, neem nou

a)

Chronologisch verband

b)

Opsommend verband

c)

Toelichtend verband

d)

Tegenstellend verband

13.

Welk tekstverband hoort bij de zin: Vroeger ging ik vaak naar buiten, maar nu game ik liever.

a)

Chronologisch verband

b)

Toelichtend verband

c)

Opsommend verband

d)

Tegenstellend verband

14.

Wat is GEEN manier om het onderwerp te vinden?

a)

Kijk naar de illustraties.

b)

Maak van het enkelvoud meervoud

c)

Kijk naar de tussenkopjes

d)

Kijk naar anders gedrukte woorden

15.

Wat is een hoofdgedachte?

a)

Een alinea waarin het belangrijkste wordt samengevat

b)

Waar je als eerst aan denkt als je de tekst leest

c)

Een volledige zin die het belangrijkste samenvat

d)

Een sushirol

16.

Waar kun je een tekstverband aan herkennen?

a)

Signaalwoorden

b)

Onderwerp

c)

Persoonsvorm

d)

Werkwoorden

17.

Hoe vind je het onderwerp van de tekst?

a)

Bekijk de tekst en opvallende dingen.

b)

Kijk naar de pv in de eerste zin.

c)

In de laatste zin staat het, dus lees die.

18.

Wat is oriënterend lezen?

a)

Snel kijken naar de tekst en schuine woorden.

b)

Lees de eerste alinea en bekijk de tekst.

c)

De hele tekst lezen.

19.

Welk tekstdeel is het grootst?

a)

Inleiding

b)

Middenstuk

c)

Slot

20.

Wat is globaal lezen?

a)

De eerste zinnen van alinea's lezen

b)

De laatste zinnen van de alinea's lezen

c)

Allebei

d)

Geen van beide

21.

Wat is een deelonderwerp?

a)

Iets dat wat zegt over het zelfstandig naamwoord

b)

Iets dat wat zegt over de persoonsvorm

c)

Iets dat wat zegt over het onderwerp

22.

Wat is een ander woord voor een (grappig) verhaaltje?

a)

Hoofdgedachte

b)

Globaal lezen

c)

Oriënterend

d)

Anekdote

23.

Wat is het laatste deel van de tekst?

a)

Inleiding

b)

Middenstuk

c)

Slot

24.

Wat is precies lezen?

a)

De tekst samenvatten

b)

Woordenboek gebruiken

c)

De belangrijkste zaken vinden

d)

De tekst van begin tot eind nauwkeurig lezen

25.

Welk woord is geen signaalwoord?

a)

Vroeger

b)

1929

c)

Ten slotte

d)

Vervelend

26.

Kunnen getallen een opsommend verband aangeven?

a)

Ja

b)

Nee

27.

Je vindt het onderwerp door de hele tekst te lezen.

a)

Waar

b)

Niet waar

28.

Wat is een tussenkopje?

a)

Een witregel

b)

Een alinea

c)

Tekst bij een plaatje

d)

Titel van een alinea

29.

Wat is een chronologisch verband?

a)

beschrijft gebeurtenissen in de juiste tijdsvolgorde

b)

verband waarin zaken na elkaar worden genoemd

c)

zaken die tegengesteld zijn worden genoemd