wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

MH2 Voortplanting en erfelijkheid

Total questions: 29

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de naam van onderdeel 5 in de afbeelding van het mannelijk voortplantingsstelsel?

(a)  

2.

Wat is de naam van onderdeel 6 in de afbeelding van het mannelijk voortplantingsstelsel?

(a)  

3.

Wat is de naam van onderdeel 10 in de afbeelding van het mannelijk voortplantingsstelsel?

(a)  

4.

Wat is de naam van onderdeel 1 in de afbeelding van het vrouwelijk voortplantingsstelsel?

(a)  

5.

Wat is de naam van onderdeel 2 in de afbeelding van het vrouwelijk voortplantingsstelsel?

(a)  

6.

Wat is de naam van onderdeel 3 in de afbeelding van het vrouwelijk voortplantingsstelsel?

(a)  

7.

Wat is de naam van onderdeel 2 in de afbeelding van het vrouwelijk voortplantingsstelsel?

(a)  

8.

Wat gebeurt er in onderdeel 1 in de afbeelding van het vrouwelijk voortplantingsstelsel?

a)

Hier ontwikkelt het embryo zich.

b)

Hier wordt de eicel bevrucht.

c)

Hier ontwikkelt de eicel zich.

d)

Hier wordt de eicel vervoert.

9.

Wat gebeurt er in onderdeel 2 in de afbeelding van het vrouwelijk voortplantingsstelsel?

a)

Hier ontwikkelt het embryo zich.

b)

Hier wordt de eicel bevrucht.

c)

Hier ontwikkelt de eicel zich.

10.

Wat is de functie van onderdeel 10 in de afbeelding van het mannelijk voortplantingsstelsel?

a)

Het produceren van zaadcellen.

b)

Het opslaan van zaadcellen.

c)

Het toevoegen van vocht aan de zaadcellen.

d)

Het opslaan van sperma.

11.

Wat is de functie van onderdeel 5 in de afbeelding van het mannelijk voortplantingsstelsel?

a)

Het produceren van sperma.

b)

Het opslaan van zaadcellen.

c)

Het toevoegen van vocht aan de zaadcellen.

d)

Het toevoegen van vocht en voedingsstoffen aan de zaadcellen.

12.

Hoeveel chromosomen heeft een cel van een mens na meiose?

a)

32

b)

64

c)

46

d)

23

13.

Wat is het doel van meiose?

a)

Het vormen van geslachtscellen.

b)

Het vormen van lichaamscellen.

c)

Het vormen van chromosomen.

d)

Het vormen van stamcellen.

14.

De eicel rijpt in een soort zakje in de eierstok. Hoe heet dit zakje?

a)

Follikel

b)

Geel lichaam

c)

Rood lichaam

d)

Eierzakje

15.

Op welke dag(en) van de menstruatiecyclus vindt de ovulatie plaats?

a)

De eerste vier dagen.

b)

De veertiende dag.

c)

De zevende dag.

d)

De eerste dag.

16.

Hoe heet de ligging die je in de afbeelding ziet?

a)

Normale ligging

b)

Stuitligging

c)

Dwarsligging

17.

Hoe kan je jezelf beschermen tegen een SOA? (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Door een condoom te gebruiken.

b)

Door geen seks te hebben.

c)

Door de pil te slikken.

d)

Door een pessarium te gebruiken.

18.

Welke uitspraak over coitus interruptus klopt wel?

a)

Dit is een betrouwbare manier van anticonceptie. Het beschermt ook tegen SOA's.

b)

Dit is een betrouwbare manier van anticonceptie, maar beschermt niet tegen SOA's.

c)

Dit is een onbetrouwbare manier van anticonceptie.

19.

Bij de sterilisatie van een man worden de zaadleiders onderbroken. Selecteer wat er nog wel kan gebeuren in het lichaam van een gesteriliseerde man. (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Er worden zaadcellen gemaakt.

b)

Er vindt een zaadlozing plaats.

c)

Er vinden reductiedelingen plaats.

d)

Er worden zaadcellen naar de penis vervoert.

20.

Hoeveel chromosomen heeft een cel van de maagwand?

a)

2

b)

23

c)

46

d)

Dat kun je niet weten

21.

Verandert bij celdeling de informatie voor erfelijke eigenschappen?

a)

ja

b)

nee

22.

Wanneer komt het genotype van een baby tot stand?

a)

bij de vorming van de eicel

b)

bij de bevruchting

c)

bij de geboorte

23.

Alle zichtbare eigenschappen van een organisme noemen we

a)

Fenotype

b)

Genotype

24.

Geslachtschromosomen bepalen of je man bent of vrouw. Welke combinatie is juist.

a)

XY = vrouw

b)

XY = man

25.

Als de erfelijke informatie voor een eigenschap hetzelfde is ben je

a)

Homozygoot

b)

Heterozygoot

26.

Een eeneiige tweeling ontstaat uit....

a)

Een eicel en een zaadcel

b)

Een eicel en twee zaadcellen

c)

Twee eicellen en een zaadcel

d)

Twee eicellen en twee zaadcellen

27.

Geslachtschromosomen komen alleen voor in kernen van geslachtscellen

a)

Juist

b)

Onjuist

28.

Hoe ontstaat variatie?

a)

Doordat erfelijke informatie steeds op een andere manier wordt gemixed

b)

Doordat er ongeslachtelijk wordt voortgeplant

c)

Doordat het milieu altijd een andere invloed heeft

d)

Doordat bij de mitose steeds een andere combinatie van eigenschappen wordt doorgegeven

29.

Door welk type deling ontstaan geslachtscellen?

a)

mitose

b)

meiose